De Krant van Gisteren

75 jaar geleden

De Krant van Gisteren

75 jaar geleden

De krant van gisteren is goed om vis in te verpakken, althans zo luidt het gezegde. Na zo'n 75 jaar wordt diezelfde krant weer boeiend. Hieronder treft u een reeks artikelen uit de kranten van 75+ jaar geleden. De reeksstart met een bericht van mei 1945. Maandelijks wordt de rubriek aangevuld.

Berichten van de krantenvan een eeuw geleden (start februari 1920) leest u hier

De krant 100 jaar geleden

Ook al is er heel veel veranderd, toch zijn sommige zaken nog zoals vroeger. Denk aan de wijze waarop auteurs hun brood moeten verdienen. Toen en nu presenteren ze zich aan hun lezers, in zalen en in boekhandels. Voor de nieuwste boeken van Tommy Wieringa, Ilja Leonard Pfeiffer of Jan Brokken reizen deze auteurs stad en land af om hun boeken aan te prijzen. 
Datzelfde gebeurde 75 jaar terug ook, toen met Godfried Bomans in de hoofdrol. Begin februari 1949 trad hij op in het Forum theater in de Herenstraat te Voorburg. Na afloop kon men een boek van Godfried Bomans aanschaffen, met een persoonlijke noot van de auteur. De katholieke boekhandel St Martijn van de heer Versteeg kon zo ook een graantje meepikken. Want Godfried Bomans was ontegenzeggelijk een populaire auteur. Hij was in staat om op rustige, ironische wijze het handelen en denken van mensen, maar ook van het eigen geloof te relativeren. Dat zijn eigenschappen die tegenwoordig minder aan bod lijken te komen, en dat is jammer.

(Het Binnenhof)
 

Scribent

Het taalgebruik van parlements-en gemeenteraadsleden is sinds 2002 steeds scherper geworden, steeds meer gepolitiseerd. Natuurlijk, dat kwam vroeger ook voor. Maar waar toen de nadruk lag op politieke beledigingen in subtiele bewoordingen, daar is tegenwoordig weinig meer van over. ‘Heks’ als aanduiding voor de minister van Financiën,  ‘tuig van de richel’ om daarmee journalisten te betitelen, en ‘nepparlement’ zijn voorbeelden van taalgebruik waarin de subtiliteit volstrekt verdwenen is. Dat taalgebruik is meer dan zorgelijk, zeker vanwege de voorbeeldfunctie die parlementsleden en andere politici hebben.
Ook 75 jaar geleden worstelde de Voorburgse gemeenteraad met hetzelfde probleem. Daarbij ging het om het woord ‘scribent’. Misschien is deze auteur ook teveel aangetast door het moderne taalgebruik, maar op hem kwam het woord scribent nog als tamelijk neutraal over. Maar toen werd het door anderen als beledigend ervaren. Dat was de aanleiding voor een stekelig debat. Dit woordgebruik kon niet, dat vond ook de voorzitter van de Raad. De vraag rijst wel of de huidige jeugd nog wel begrijpt wat onder het begrip ‘scribent’ verstaan wordt. Dat is uiteindelijk een veel groter probleem.

 (Het Binnenhof)
 

Het woord geopolitiek zal dit jaar hoog scoren op de lijst van veel gebruikte woorden in de Van Dale lijst. Tot voor een paar jaar werd de term nagenoeg niet meer gebruikt, maar met de snelle opkomst van China, de vorig jaar uitgebroken oorlog tussen Rusland en Oekraïne, de recente uitbreiding van de BRICS groep (China, India, Rusland, Brazilië en Zuid-Afrika), en het gewelddadige conflict in Israël en Gaza, is het weer een veel gebruikte term geworden. 
Kort door de bocht, de vroegere Westerse dominantie ligt achter ons: zowel wat betreft  bevolkingsomvang als de economische ontwikkeling. Andere landen en regio’s zijn in opkomst en laten hun stem horen. Tegelijk dwingen klimaatverandering, migratiestromen en bijvoorbeeld het steeds schaarser wordende water, ons om tot gezamenlijke afspraken te komen.
Ook na de Tweede Wereldoorlog trokken de geopolitieke verhoudingen veel aandacht. Maar toen was de verhouding tussen Oost en West, tussen de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie, het voornaamste punt van aandacht. De Katholieke Kring Voorburg had daarom de heer J.P. Serrarens, lid van de Tweede Kamer voor de RKSP en na 1945 voor de KVP, uitgenodigd om daar over te spreken. 
Serrarens was een uitgesproken voorstander van de Europese integratie. In zijn betoog concentreerde hij zich op de twee grootmachten, de Verenigde Staten en Rusland. Hij nam aan dat Rusland zich wel twee keer zou bedenken om een oorlog tegen de Verenigde Staten te ontketenen. Tegelijk maakte hij duidelijk dat de Europese hegemonie, verkregen door handel en koloniale expansie, ten einde was gekomen. Dat is ook nu nog een opmerkelijke uitspraak, gezien onze huidige debatten over slavernij en koloniale uitbuiting. 
Serrarens was duidelijk voorstander van een nauwere samenwerking en een militaire alliantie tussen Europa en de Verenigde Staten. Zo’n Westerse Unie zou zowel de eigen positie moeten versterken als de betrekkingen tussen Oost en West verbeteren, en daarmee de vrede bevorderen. Zo zou op Christelijke grondslag, de tegenstelling tussen kapitalisme en communisme op te lossen zijn. Wel valt op dat Serrarens in zijn betoog geen aandacht besteedde aan de positie van landen buiten Europa of aan de de-kolonisatie golf die in die tijd in Afrika en Azië plaats vond. Zo werd er met geen woord gerept over de onafhankelijkheidsstrijd in Nederlands-Indië - het huidige Indonesië - waar Nederland in 1948 nog duidelijk aan de ‘verkeerde kant van de geschiedenis’ stond. 

 (Avondpost)

Tegenwoordig kun je in augustus al geconfronteerd worden met ‘overheerlijke’ aanbiedingen van grootgrutters, die dan al volop preluderen op de december-feestdagen. Snoepgoed zoals pepernoten, chocolade letters of banket, is dan al volop te krijgen. Maar ook andere feestartikelen zoals illegaal, zwaar vuurwerk is ’s zomers ook al ruim voorhanden. 
Hoe anders was het 75 jaar geleden, toen ruim 3 jaar na de oorlog veel spullen nog ‘op de bon’ waren. Bijgaand bericht schetst de extra toewijzing van 130.000 kilo roomboter. Dat was mogelijk omdat consumenten steeds meer margarine gebruikten, en roomboter overbleef. Margarine was rond 1870 in Frankrijk ontwikkeld. Kort daarna werd in het Brabantse Oss voor het eerst in Nederland margarine geproduceerd door Jurgens en zijn directe concurrent Van den Bergh [later gingen zij samen in Unilever].  Goedkope margarine won snel marktaandeel, ten koste van de duurdere roomboter.  
De voorkeur van de consument voor margarine, gaf de overheid in december 1948 de ruimte om banketbakkerijen in het Westen van het land een extra rantsoen roomboter toe te wijzen. Daarmee konden dan extra kerstkransen gebakken worden. Die extra toewijzing was niet onaanzienlijk voor de bakkers, namelijk gelijk aan datgene wat normalerwijze voor 4 weken beschikbaar kwam. Alleen bakkerijen in de grotere steden kwamen hiervoor in aanmerking. 
Waar Voorburg haast altijd afstand hield tot Den Haag, kon het nu profiteren van de nabijheid van deze stad. Hopelijk heeft het de Voorburgers goed gesmaakt.

(Het Binnenhof)

Meestal worden in een krantenartikel over een infrastructuurproject vooral cijfers weergegeven. De kosten bedroegen zoveel euro, het aantal passagiers bedraagt momenteel zoveel duizend per jaar, terwijl ook de groei, met zoveel procent, meestal niet vergeten wordt.

Bijgaand artikel heeft een wat bredere strekking. Het gaat over station Hofplein in Rotterdam, voor en na het bombardement van mei 1940, over de architect, over de uiteindelijke loop van vele jaren na het bombardement, en vooral over de negatieve invloed van de Hofpleinlijn op de suburbanisatie van Rotterdam. Veel inwoners van Rotterdam die regelmatig naar Den Haag moesten, verhuisden naar Voorburg waar het ‘zo placied en ongemoeid’ wonen was. In twee decennia werd daardoor de bevolking van Voorburg bijna verdubbeld. Van de vertrekkers uit Rotterdam waren velen relatief kapitaalkrachtig, met ls gevolg dat de lokale inkomstenbelasting voor de achterblijvers steeds weer verhoogd moest worden om bestaande voorzieningen te kunnen handhaven. Het artikel bevat een beschrijving van de gemoedelijke sfeer tijdens de treinreis, waar vele reizigers elkaar kenden. Zo men al begon met het lezen van de krant, dan werd dat al snel ingeruild voor een gezellig babbeltje met medereizigers. Die zo vriendelijke, beminnelijke sfeer was volgens de schrijver van dit artikel juist zo verraderlijk, omdat het Rotterdam veel burgers afhandig heeft gemaakt. Het elektrisch Hofpleinlijntje werd zo een stille ronselaar.

Gelukkig eindigt het artikel met een wat positievere bevinding. Naast de hard werkende Rotterdamse heren, maakten ook Rotterdamse dames volop gebruik van deze OV verbinding, om te flaneren langs de Bonneterie, te tea-en bij Lensvelt Nicola, ‘s zomers nog snel naar het strand in Scheveningen, maar wel weer om 6 uur thuis te zijn.

Alleen het gewenste nieuwe station is er niet echt gekomen. Het in 1956 geopende station werd gekenmerkt door naoorlogse soberheid. Uiteindelijk is het station rond 1988 gesloopt om zo plaats te maken voor de nieuwe Willemsspoortunnel.

(Maasbode)

Tegenwoordig wordt Koningsdag op 27 april gevierd. Een vrije dag, met aubades, straatverkopen en soms ook feesten. Vanaf 1948 tot 2013 was het Koninginnedag, op 30 april. Dat was de datum waarop Koningin Juliana jarig was. Koningin Beatrix is op 31 januari jarig, en in dat jaargetijde waren aubades en feesten buiten toch vaak minder passend. Zij hield daarom vast aan 30 april.
Maar de ouderen onder ons weten nog dat Koninginnedag tot 1948 viel op 31 augustus. Op die datum was Koningin Wilhelmina jarig. In 1948 was ze 50 jaar koningin. Dat betekende extra feestelijkheden om dat te vieren. Zo ook in Voorburg. Het eerste artikel geeft een overzicht van die festiviteiten op wat in dat verslag Kroningsdag werd genoemd.
Een paar dagen later, op 4 september, maakte Wilhelmina bekend dat ze afstand deed van de troon, en dat haar dochter Juliana haar zou opvolgen. Daarna bezocht Koningin Juliana tal van plaatsen waaronder Den Haag. Op weg daar naar toe kwam ze van de A12 aan in Voorburg, bij de rotonde bij de Parkweg. Daar hield een verpleegster de koninklijke auto tegen, waarna bloemen werden aangeboden. Nu de Koning op Huis ten Bosch woont, en de Utrechtsebaan langs/over Voorburg gaat, is een dergelijke Voorburgse blokkade niet meer mogelijk…
(Het Binnenhof)
 

Ook in augustus 1948 waren de gevolgen van de Tweede Wereldoorlog nog altijd merkbaar. Een van die gevolgen was de afwezigheid van klokgelui. In hun jacht naar schaarse metalen hebben de Duitsers tijdens de oorlogsjaren bijna 4700 kerkklokken weggehaald, van de rond de 9000 klokken die in 1940 in kerken hingen. Het zal ook om die reden in die jaren in dorpen en steden nogal stil geweest zijn; er reden nauwelijks auto’s en er werden geen kerkklokken geluid.
Ook de Luidklok van de Oude Kerk in Voorburg was verdwenen. Deze was in 1943 uit de toren gehaald, overgebracht naar Hamburg, en daar omgesmolten. De Luidklok hing sinds 1757 in Voorburg. Deze klok was gegoten in Den Haag, door vader en zoon Verbruggen. 
Behalve de klok van de Oude Kerk waren ook de drie klokken van de St. Martinuskerk geroofd, maar die waren al in mei 1946 door nieuwe vervangen. In 1948 is 1.2 miljoen kilo aan metaalfragmenten afkomstig van geroofde klokken uit Hamburg weer terug naar Nederland gebracht. Daaruit zijn veel nieuwe klokken gegoten, waaronder die voor de Oude Kerk. Sinds die tijd wekt het herkenbare geluid van deze Luidklok bij veel Voorburgers een positief dorpsgevoel op. Dat deze Luidklok nog lang hoorbaar mag zijn.
(Trouw)
 


Vanwege de corona crisis is de 75-jarige herdenking van de bevrijding nauwelijks goed gevierd. En dat terwijl er juist veel voorbereidingen getroffen waren om op uitgebreide schaal hierbij stil te staan. Dat is jammer, want stilstaan bij alle offers en heldendaden die toen gebracht zijn is belangrijk. Het laat zien hoe waardevol die activiteiten zijn geweest als bijdrage aan die bevrijding. De HVV heeft daarom besloten om de komende tijd aandacht te besteden aan die eerste naoorlogse jaren. Dat gebeurt op een soortgelijke wijze als bij ‘Het nieuws van gisteren’. Daarin wordt aan de hand van krantenartikelen teruggekeken naar allerlei aspecten van het leven in Voorburg 100 jaar terug. In deze nieuwe reeks gaan we terug naar de bevrijding en de daaropvolgende periode van herstel en wederopbouw. Begonnen wordt in mei 1945, de maand waarin Nederland en daarmee ook Voorburg bevrijd werd van de Duitse overheersing.

Vanaf mei 1943 verscheen haast dagelijks in Voorburg een ondergronds blad, ‘De Vossenburcht’. In dat blad werd vooral het nieuws over de oorlog doorgegeven, zoals dat via Radio Oranje en de BBC werd doorgegeven. Luisteren naar deze zenders was verboden, mensen waren gedwongen geweest om hun radio in te leveren. Daardoor was men aangewezen op het nieuws van gelijkgeschakelde kranten en het volledig door Duitsers gecontroleerde radionieuws. Met dit blad werd gepoogd de Voorburgers van het laatste internationale militair-strategische nieuws te voorzien. Dat men het tot het einde van de oorlog heeft volgehouden, is bewonderenswaardig. Dat men in een grote leemte voorzag, bleek wel uit de steeds groeiende belangstelling.

Het bevrijdingsnummer  begon als volgt:

In het afscheidsnummer in juni 1945 uitgebracht, werd uitgebreid ingegaan op de start, in mei 1943. Begonnen werd met handgeschreven notities, maar al snel kwam er een typemachine. Daarbij moest er papier en carbonlinten komen, moest men geregeld van locatie veranderen om niet door de Duitsers gepakt te worden. Ook was vanaf najaar 1944 elektriciteit vaak niet beschikbaar. Luisteren, drukken en verspreiden van dit soort kranten waren onverminderd risicovolle activiteiten: de Duitsers waren voortdurend op jacht. Diepe bewondering daarom voor deze verzetsactiviteit. In mei 1945 kon men weer bovengronds komen. De redactie besloot vervolgens in juni 1945 te stoppen dit blad. Dat werd betiteld als een blij afscheid, de vrijheid was herwonnen, het werk was gedaan.

Een kleine maand na de bevrijding begon het gewone leven weer op gang te komen. Allesoverheersend in die tijd was de schaarste: aan levensmiddelen, aan woningen, aan werk. Hierbij een krantenknipsel uit Het Vrije Volk, Haagse editie van 25 mei 1945. Wat een administratie moet dit zijn geweest, voor de overheid, voor de groot- en kleinhandel, voor de winkelier en uiteindelijk ook voor de consument (B staat voor ???, MG voor militair gezag). Verschillende bonnen voor verschillende producten, soms hele korte geldigheidsduur, en kwam je te laat, dan viste je achter het net, en aankondigingen van producten die aanstaande waren.

In het Binnenhof, van woensdag 14 juni, stond een soortgelijk artikel, met bonnen voor weer andere producten, en dat met een nauwkeurigheid (geen 100 maar 112 gram als het in blik is, dat zal vast op basis van een Engelse eenheid gewogen zijn.  

Stapje voor stapje herstelde Nederland zich in de zomer van 1945. Het kabinet Schermerhorn was in mei 1945 aangetreden, met professor Piet Lieftinck als minister van Financiën. Een van zijn belangrijkste aandachtpunten was de geldzuivering. Op 6 juli 1945 verscheen het bericht dat vanaf 9 juli bank- en muntbiljetten van 100 gulden geen wettig betaalmiddel meer zouden zijn . Alle biljetten konden ingeleverd worden bij diverse banken. Dat was de eerste stap op weg naar de geldzuivering, die uiteindelijk op 26 september 1945 plaatsvond. Toen kwam het ‘tientje van Lieftinck’ in omloop. Ook in Voorburg verbeterde de situatie. Vanaf begin juli kwam de gaslevering weer op gang, met nog zeer beperkte rantsoenen overigens. De blauwe tram ging weer rijden tussen Den Haag en Leiden, er kwamen bussen voor het vervoer naar Gouda, Delft en Rotterdam. Weliswaar reed op sommige trajecten de trein alweer, maar een reis van Rotterdam naar Amsterdam duurde toen nog 6 uur. ‘Gelukkig’ kon er ook nog geklaagd worden, bijvoorbeeld over de prijs van een maaltijd in de Centrale Keuken. Waarom moest dat in Voorburg 1,60 gulden kosten, waar men in andere plaatsen, zoals in Den Haag, maar 70 cent hoefde te betalen, zo was een reactie .

 

Uit Het Binnenhof, 6 juli 1945, blz. 1

Uit verschillende edities van Het Binnenhof, Haagsche Courant en Trouw, juli 1945

Op 15 augustus 1945 geeft Japan zich over. Daarmee is de Tweede Wereldoorlog voorbij. Vanuit Nederlands perspectief wordt dat gezien als een beslissende stap naar herstel van de vooroorlogse verhoudingen, maar voor Soekarno is dat het moment om de Indonesische onafhankelijkheid uit te roepen. Het Vrije Volk opent 15 augustus breed met de capitulatie van Japan.

In diezelfde krant treffen we op pagina 3 een groot aantal advertenties van bedirjven in de Haagse regio, die op zoek zijn naar personeel. Bij drie advertenties gaat het om advertenties uit Voorburg, een meisje voor in de huishouding, een plaatwerker in een carosseriebedrijf in de van Alphenstraat, en een aantal werknemers voor HOKO, aan het Westeinde 86. Dat bedrijf produceerde comprimeermachines, apparaten om grondstoffen, bijvoorbeeld voor medicijnen, in elkaar te persen.

Maar ook al is de oorlog in Europa al ruim 3 maanden achter de rug, nog steeds zijn er veel mensen vermist. Ook op die 15e augustus zijn er 7 personen, die gezocht worden. De vermelde laatst bekende verblijfplaatsen, zoals Buchenwald, Vught, Westerbork, Dachau, Sachsenhausen en Auschwitz, zo weten we nu, maakten de kans op terugkomst niet groot.

Tegelijk was het natuurlijk wel augustus, zomer, met de schoolvakantie. Op vakantie gaan was er niet bij, geen geld en geen reismogelijkheden. Gelukkig kon men weer wel naar het strand. Op twee stroken strand, duidelijk gemarkeerd, waren nagenoeg alle mijnenvelden gezuiverd.

Voorburg in september 1945

Het was nog geen wereldnieuws, maar nationaal trok Voorburg in september 1945 enigszins de aandacht vanwege rumoer bij een NSB interneringskamp. In de Christelijk Nationale School aan de Rozenboomlaan was een kamp voor NSB-ers ingericht. Niet duidelijk is hoeveel mensen daar geïnterneerd zijn geweest.

Op deze foto staat een aantal geïnterneerden voor de Christelijk Nationale School

Vervaardiger H.G.L. Schimmelpenningh - collectie Haags Gemeentearchief.

Op 11 september konden mensen in de kranten lezen dat in het weekend onrust was geweest bij het kamp. Er hadden schoten weerklonken. In een artikel (zie De Waarheid) werd zelfs van een aanval gesproken, waarbij onder de aanvallers ook enige Duitsers zouden zijn. In een ander artikel (zie het Binnenhof) had men een verdacht figuur zien rondsluipen. Een klopjacht in Vreugd en Rust leverde, volgens dit artikel, echter niets op. Volgens de commandant was het zeer onwaarschijnlijk dat er werkelijk een overval was geweest. Volgens hem was er sprake van loos alarm.

 

Artikel De Waarheid 11-9-1945 en Het Binnenhof 11-9-1945

Maar het zat toch nog iets anders. Er was op zaterdag 8 september een afscheidsfuif georganiseerd, voor en door de geïnterneerden. Zij zouden binnenkort overgebracht worden naar grote verzamelkampen. De verantwoordelijk commandant had toestemming gegeven voor zo’n afscheid. Hij vond dat de geïnterneerden lang genoeg verstoken waren geweest van sigaretten en versnaperingen. Er werd ook volop muziek gemaakt, op eigen instrumenten. Dat werd hem niet in dank afgenomen. Hij werd direct ingerekend. Bij nader onderzoek bleek dat hij eerder al op te broederlijke wijze met de geïnterneerden was omgegaan. Ze mochten winkelen, en sommigen kregen zelfs toestemming om een poosje naar huis te gaan. Een dergelijk regime werd als onbegrijpelijk beoordeeld.

Artikel Het Vrije Volk 19-9-1945, en Het Binnenhof 22-9-1945

Of deze gebeurtenis het afscheid nemen versneld heeft, is niet duidelijk, wel werd het interneringskamp eind september opgeheven. De geïnterneerden werden overgebracht naar de Haagsche Fruithallen.

De Nieuwe Nederlander 29-9-1945

Albert Termote was een bekend beeldhouwer, en vanaf 1922 woonachtig in Voorburg. Hij overleed in 1978. Van hem zijn vele beelden bekend, zoals het beeld van Corbulo, op het Koningin Julianaplein te Voorburg. Een ander bekend beeld is dat van de barmhartige Samaritaan.

Het beeld werd eind september 1945 onthuld, zoals in het Binnenhof van 1 oktober 1945 te lezen valt. Een vooraanstaand gezelschap was daarbij aanwezig. Maar de voorgeschiedenis begint al veel eerder.

Op de voet van de steen staat vermeld: "De burgerij van zes gemeenten (Rijswijk, Voorburg, Leidschendam, Nootdorp, Berkel-Rodenrijs en Zoetermeer) heeft dit zinrijk kunstwerk der dertiende juni 1938 bij de viering van het 25-jarig bestaan van St. Antoniushove aan het College van Regenten ten geschenke gegeven ter gedachtenis van den stichter monseigneur W. van Stee en uit dankbaarheid voor de werken van barmhartigheid door velen aan velen in dit huis verricht." Monseigneur van Stee (1846-1930) moet een bijzondere pastoor zijn geweest. Zo was hij betrokken bij/stichter van het ziekenhuis Sint Antoniushove, het Forumtheater in de Herenstraat, de Boerenleenbank in Voorburg, en de voetbalvereniging Wilhelmus.

Er was dus alle reden om hem te gedenken. Probleem was dat het beeld in 1938 bij het jubileum nog niet gereed was. Het is ruim twee jaar later, op 18 september 1940, overgedragen en voorlopig (waarschijnlijk wegens gevaar voor inbeslagname tijdens de oorlog) geplaatst in de binnentuin van het ziekenhuis aan het Oosteinde. Pas in september 1945 kreeg het zijn officiële plaats en is het onthuld. Bij de verhuizing van het ziekenhuis in 1972 naar Leidschendam is het beeld op zijn huidige plek terecht gekomen. Een waar sieraad voor de gemeente Leidschendam-Voorburg.

Veel Nederlanders krijgen in toenemende last van Corona-moeheid. Natuurlijk, op heel veel manieren merken we dat we in belangrijke mate ingeperkt zijn. Blijf a.u.b. thuis werken, en als je buiten komt, doe een mondkapje op, cafés en restaurants zijn dicht, er zijn geen concerten, er is geen bibliotheekbezoek, er blijft weinig over wat nog wel mag. Ieder journaal weer zijn er de cijfers van het RIVM. Dan merk je wat een invloed een besmettelijke ziekte kan hebben. We hebben al veel verwijzingen gehad naar de Spaanse griep rond 1918. Ook 70 jaar geleden werden er cijfers over besmettelijke ziektes bijgehouden. En gepubliceerd, zoals hier in de Staatscourant .

Het betreft hier een overzicht van een aantal besmettelijke ziekten, zoals tyfus, paratyfus (twee varianten), dysenterie, roodvonk, difteritis, meningitis en polio. De laatste oorlogsmaanden, met de hongerwinter en het gebrek aan goede voeding, had tot een sterke toename van het aantal besmettingen geleid. Dat werd met kracht bestreden. Het was een nationaal overzicht. De spreiding van de besmettingen over de provincies wijkt niet sterk af van de relatieve bevolkingsomvang. Wat betreft de besmettingen, springt die voor difteritis er uit. Difterie is een besmettelijke ernstige ziekte die wordt veroorzaakt door een Corynebacterium bacterie. De bacterie wordt van mens op mens overgedragen. Voor invoering van vaccinatie was difterie een belangrijke doodsoorzaak bij kinderen. In Nederland worden nu nog maar sporadisch gevallen van difterie gemeld. Deze gevallen komen dan meestal uit het buitenland. Hieronder wordt alleen een deel van de gemeenten in Zuid-Holland getoond. Voorburg heeft relatief veel difteriebesmettingen in dit overzicht, ze komt voor deze week uit op de 5e plaats in de provincie Zuid-Holland, na Rotterdam, Den Haag, Delft en Dordrecht. Het aantal besmettingen liep licht op, in september 1945 lag het aantal besmettingen lager. Wellicht heeft ook hier het najaar voor meer besmettingen gezorgd. Er was geen krantenartikel in die periode te vinden waarin gewaarschuwd werd tegen overvolle ziekenhuizen, zoals we dat nu wel meemaken. Men heeft deze besmettelijke ziektes, met de beperkte middelen van toen, toch onder de knie weten te krijgen.

Wat nog opvalt, is het grote aantal gemeenten, inclusief plaatsen als Zuidland, Rietveld en Klaaswaal. Terwijl Zuid-Holland nu 52 gemeenten telt, waren dat er in 1966 nog ruim 150 , en dat aantal was in 1945 minstens zo hoog. Er heeft een sterke schaalvergroting plaatsgevonden.

Noten

1. Zie Staatscourant 3 december 1945, no 124, blz. 14-16, gevonden via www.delpher.nl

2. Zie artikel Gemeentelijke herindelingen, op de site Geschiedenis van Zuid-Holland, https://www.geschiedenisvanzuidholland.nl/verhalen/gemeentelijke-herindelingen

Er wordt al enige tijd gesproken over een vuurwerkverbod. Tot nu toe was het er nog niet van gekomen, maar dankzij Corona is het nu alsnog doorgevoerd. Voor één jaar, zo wordt benadrukt. Voor veel mensen zal het een verademing zijn, voor veel andere mensen is het juist een voorbeeld van een overheidsinterventie waarbij een mooie traditie om zeep geholpen wordt. We zien nu ook wat de overheid aan sturingsruimte verloren heeft. Als het niet meer in Nederland zelf gekocht kan worden, dan halen we het wel uit het buitenland. Daar is stevig vuurwerk nog volop verkrijgbaar.

Hoe werd de oudjaarsavond 75 jaar terug gevierd? Uit bijgaand artikel blijkt dat ook toen enig vuurwerk werd afgestoken. Het zal vast veel minder zijn geweest dan datgene waarop wij de afgelopen jaren zijn getrakteerd, maar sommigen konden de drang blijkbaar toch niet weerstaan. De auteur van dit artikel verbaasde zich er wel enigszins over, gelet op al het echte vuurwerk zoals dat in de oorlogsjaren te horen, te zien en soms ook te voelen was. Er was sprake van een breder aanbod aan vuurwerk dan dit jaar mag worden afgestoken, inclusief kanonslagen en andere soorten “atoombommen”. Ook toen mocht je, althans volgens een vooroorlogse politieverordening, geen vuurwerk afsteken, maar toen en nu werd een dergelijk verbod niet altijd goed opgevolgd. Ik kon geen bericht vinden over het aantal mensen met oogletsel in deze nieuwjaarsnacht.

Nederlanders en overheidsregels, dat is niet altijd een geslaagde combi. De ‘lockdown’ vanwege de Coronapandemie is weer een goed voorbeeld. Hoewel reizen naar het buitenland, tenzij uit noodzaak, dringend afgeraden wordt, menen veel Nederlanders toch dat dat een goede afspraak is, maar dat voor hen een uitzondering gemaakt kan en moet worden. Ze hebben zich laten testen, ze gaan naar een land waar geen toeristen komen, en alles is daar gedaan om mensen coronavrij door hun verblijf te loodsen. Waarom zou men zich dan moeten houden aan afgesproken regelgeving? De regering kan dringend vragen om niet naar het buitenland op vakantie te gaan, niet en masse boodschappen te gaan doen, en wat al niet meer, veel Nederlanders trekken zich hier weinig van aan.

Dat gedrag deed zich ook al in de winter van 1945-1946 voor. Energie, ook gas, was nog schaars. Er was te weinig aanbod voor de aanzienlijke vraag. Dat betekende dat het aanbod gerantsoeneerd moest worden. In dit geval gebeurde dat door alle Voorburgers te vragen terughoudend te zijn met hun gasafname. Alleen dan was er voldoende gas voor een ieder om te koken en waar nodig het huis te verwarmen. Maar iedereen weet ook dat als het gas op is, men niet kan koken. De rationele conclusie was dat je er snel bij moest zijn. Het gevolg was dat de gasvoorraad bij het GEB te snel opraakte, en dat daardoor veel mensen helemaal niet meer konden koken.

Bijgaand bericht maakt duidelijk dat de directeur van het GEB in Voorburg hierover ontstemd was. “Wij zijn ijverig bezig de overtreders af te sluiten”, zo laat de directeur dreigend weten. Maar ook toen zal dat waarschijnlijk met een sisser afgelopen zijn. Het was winter, voedsel was nog steeds schaars, hoe zou men zo kort na de oorlog gezinnen deze ontbering kunnen opleggen.

In de Hongerwinter van 1944/45 was er gebrek aan eten en aan warmte. Voor eten ging men naar de gaarkeukens, of men ging naar de boeren. Vaak dichtbij, maar in toenemende mate ook ver weg. Op de fiets naar Noord-Holland of zelfs naar Groningen en Friesland. Dat waren barre hongertochten, want het was een koude winter. Vanaf half december tot eind januari was er voortdurend sprake van vorst, met soms zeer lage temperaturen.

Die koude deed ook de vraag naar stookhout sterk oplopen. Overal werd hout vandaan gescharreld, om de huizen nog enigszins te kunnen verwarmen en om te koken. Uit leegstaande huizen werden alle bruikbare houten delen gesloopt, waar mogelijk verdwenen de houten bielzen onder de tramrails, en er werden bomen gekapt, heel veel bomen. Ook in Voorburg. De Parkweg was op vele plekken kaal, ook uit Vreugd en Rust waren veel bomen verdwenen. In sommige straten was er een burgerwacht om de bomen te bewaken. Desondanks was de schade groot.

Na de oorlog besloot men de bomenstand te gaan herstellen. Op dinsdag 12 februari 1946 werd door burgemeester Nederbragt de bevrijdingsboom geplant, een linde, op de hoek van de Herenstraat en de van Schagenstraat. Daar staat de boom nog altijd. Het hek om de boom is daar in 1987 geplaatst. Het stond eerst om een linde, in de Herenstraat bij de Oude Kerk tegenover de Kerkstraat, die daar in 1898 geplaatst was vanwege de kroning van koningin Wilhelmina. Deze linde sneuvelde tijdens een storm in 1984. In 2011 is het hek, inmiddels een rijksmonument, gerestaureerd, dankzij de inspanningen van Mooi Voorburg.

De burgemeester plantte op die februaridag in 1946 naast de bevrijdingsboom nog een boom, op de hoek van de Parkweg en de Weverslaan. Scholieren hebben vervolgens die dag bomen geplant langs de Parkweg, tot aan de Vondelstraat.

In de Tweede Wereldoorlog zijn twee oorlogsgebeurtenissen voor Voorburgers heel nabij en heel ingrijpend geweest. Allereerst waren dat de gevechten op en rond Ypenburg in de meidagen van 1940.  Om de luchthaven zelf maar ook om de bruggen over de Vliet is hard gevochten. Het monument aan de Meidoornlaan in Park Leeuwenbergh herinnert ons aan die strijd, en aan diegenen die daarbij hun leven lieten. Nog bekender wellicht is de naam van George Maduro, die bij diezelfde gevechten op heldhaftige wijze de Duitsers uit Villa Leeuwenbergh (nu Villa Dorrepaal) wist te verdrijven.

Bombardement op het Bezuidenhout gezien vanuit Voorburg (Gemeentearchief Den Haag, foto 1.10730, fotograaf D. Dijkstra)

Maar vandaag staat die andere gebeurtenis centraal, namelijk het bombardement op Bezuidenhout op 3 maart 1945. Ook al was dat in Den Haag, Voorburg heeft na dat bombardement belangrijke hulp geleverd. Duizenden mensen sloegen op de vlucht, en werden in Voorburg opgevangen. De Voorburgse brandweer hielp bij het blussen, tal van gewonden werden verzorgd in het ziekenhuis Antoniushove (toen aan het Oosteinde). Op 3 maart 1946, één jaar na het bombardement, vond een aangrijpende herdenking plaats. Duidelijk was geworden dat het bombardement niet Bezuidenhout als doelwit had gehad,  maar de mogelijke V2-lanceerinstallaties in het Haagse Bos. Door een menselijke fout en onvoldoende controle werden de coördinaten van het doel verwisseld, met ruim 500 doden als gevolg. Bij de herdenking spraken onder andere Minister Drees en burgemeester de Monchy. De voorzitter van de Vereniging ‘Bezuidenhout’s herstel’ sprak een speciaal woord van hartelijke dank uit jegens Voorburg en haar bewoners, voor de onbaatzuchtige hulp aan duizenden vluchtelingen.

Een paar weken terug, op 17 maart 2021, vonden in Nederland weer de gebruikelijke verkiezingen voor de Tweede Kamer plaats. De resultaten kent u. Wat opviel, afgezien wellicht van de uitslag, was het grote aantal partijen dat meedeed, 37 in totaal, de enorme stemformulieren om alle partijen en alle kandidaten een plek te geven, en ondanks Corona de hoge opkomst. Zeker het grote aantal partijen viel haast alle buitenlandse waarnemers op.

75 jaar geleden waren er in mei 1946 de eerste Tweede Kamer verkiezingen na de Tweede Wereldoorlog. Al een maand na de bevrijding, juni 1945, benoemde koningin Wilhelmina het zogenaamde ‘koninklijk’ kabinet Schermerhorn/Drees. Vanaf september 1945 trad er een noodparlement aan, bestaande uit die Kamerleden die op 10 mei 1940 al lid van de Tweede Kamer waren. Een aantal leden had ontslag genomen, sommigen waren overleden en er was geen plaats meer voor NSB-leden. In november 1945 werd het resterende aantal Tweede Kamerleden weer aangevuld tot 100, de zogenaamde Voorlopige Staten-Generaal. Daarbij werd enerzijds rekening gehouden met de politieke verhoudingen in mei 1940, maar de NSB-zetels werden nu ingenomen door oud-verzetsstrijders. Daartoe behoorden Wim de Kort (KVP), Jaap Burger (SDAP), Gerard Nederhorst (SDAP), Jan Smallenbroek (ARP), Jkvr. Wttewaall van Stoetwegen (CHU), Henk Korthals (LSP), Paul de Groot (CPN), Gerben Wagenaar (CPN) en Frans Goedhart  (partijloos).

Op 17 mei 1946 vonden de verkiezingen plaats. Een maand eerder, op maandag 29 april 1946, werd bekend gemaakt welke partijen aan die verkiezingen deel zouden nemen. Het ging om 10 partijen, ook toen al een beduidend aantal in vergelijking met andere landen. Van die partijen kwamen er slechts twee ook voor op het stembiljet in maart 2021, namelijk de Partij van de Arbeid en de Staatkundig Gereformeerde Partij. De PvdA die nieuw was in 1946, was voortgekomen uit de SDAP, VDB en CDU. De Katholieke Volkspartij (KVP), de Anti-Revolutionaire Partij (ARP) en de Christelijk-Historische Unie (CHU) zijn in 1979 opgegaan in het CDA. De Partij van de Vrijheid ging in 1948 op in de VVD. De Communistische Partij “De Waarheid” ging al snel Communistische Partij van Nederland (CPN) heten. In 1989 ging de CPN samen met de PPR, PSP en EVP op in Groenlinks. De verkiezingsuitslag in 1946 was verrassend, maar daarover een volgende keer meer.

De oogst aan relevante en op afstand beschikbare artikelen droogt vanwege de Corona-pandemie steeds verder op. Daarom dit keer een heel andere bijdrage, namelijk over het enige vliegveld dat op Voorburgs grondgebied gelegen heeft. Dat was tussen mei en december 1945. Toen in mei 1945 de Duitsers zich overgaven, de geallieerde legers in de daarop volgende dagen Den Haag binnentrokken en ook de voorlopige regering Schermerhorn aan het werk ging, werd er naarstig gezocht naar een plek in of dichtbij Den Haag, waar vliegtuigen konden landen en opstijgen. De vliegvelden Waalhaven, Ypenburg, Valkenburg en Ypenburg waren vooralsnog niet bruikbaar. Het oog viel op een terrein langs de Hoekwatersloot, naast de spoorlijn Den Haag-Gouda.

Daar lag toentertijd een sportveld, vooral gebruikt door (Haagse) scholen. Al direct vanaf 5 mei 1945 landen daar geallieerde toestellen, maar pas op 26 mei werd het terrein officieel als vliegveld aangemerkt, door de Town Major, de Geallieerde militaire vertegenwoordiger in het Haagse gemeentebestuur. Op het vliegveld werd een squadron Austers gevestigd. Een Auster was een klein vliegtuig, ontwikkeld bij het begin van de oorlog, en gebruikt voor onder andere artillerie-waarneming, evacuatie en licht transport. Na de oorlog ging het vooral om personenvervoer en postverkeer.

De turnzaal op het sportveld veranderde in een vliegtuigwerkplaats. Ook kwamen er magazijnen en kantoorruimte. Voor de vliegers kwamen er slaapbarakken, maar ook werd woonruimte georganiseerd in benedenwoningen aan de Koningin Wilhelminalaan. Aan de Van Alphenstaat 62 was de keuken met eetzaal voor de manschappen. Voorburgers met vliegervaring, vaak mensen die naar Engeland gevlucht waren, werden snel ingeschakeld. Voor alle Voorburgers zonder die ervaring, maar nieuwsgierig naar deze tak van transport, moet het natuurlijk ook zeer aanlokkelijk zijn geweest om naar dit vliegveld te komen. Dat sommige jongens uitgekozen werden om de vliegtuigen schoon te maken, zal zeker voor jaloersheid bij anderen gezorgd hebben.

Helaas verdween het vliegveld al weer heel snel, in december 1945. Toen kon men weer terecht op het grotere, beter geoutilleerde vliegveld Valkenburg. Aan een bijzondere, maar haast vergeten episode kwam toen een eind.

Deze beschrijving is gebaseerd op

Theo Buurman (2010), Vliegstrip Voorburg, zie  https://geschiedenisvanzuidholland.nl/mijn-verhaal/vliegstrip-voorburg

W. Lutgert (2019), Austers in Voorburg,  https://vlietnieuws.nl/2019/01/13/austers-in-voorburg/

Net als de vorige maand, vertoeven we ook voor juni 1946 in luchtvaartsferen. Werd de vorige maand ingegaan op het enige vliegveld dat Voorburg gekend heeft, nu gaat het om Schiphol. Zoals uit bijgaand verslag [1] blijkt stapte op 15 juni 1946 mevrouw P.G. Beguin uit Voorburg, die met haar zoon Jan Erik de vakantie had doorgebracht in Zwitserland, uit het vliegtuig. Ze was daarmee de honderdduizendste passagier, sinds de heringebruikstelling van Schiphol voor de burgerluchtvaart sinds juli 1945. Dat duidt op een onstuimige groei, maar het verschil met de huidige tijd is enorm. Door de Coronapandemie kwam het vliegverkeer nagenoeg tot stilstand. Ging het in 2019 om 71 miljoen reizigers die via Schiphol vlogen, in 2020 daalde dat naar 20 miljoen. In 2021 lag het aantal tot en mei op bijna 4 miljoen. In dat perspectief is 100.000 reizigers gering.

In die jaren een vliegreis maken naar Zwitserland was voor maar weinig mensen weggelegd. Voor een retour moest in die periode 430 Zwitserse Franken betaald worden[2]. In die periode was het internationaal betalingsverkeer nog sterk gereguleerd. Tegelijk was er veel onzekerheid uit over de onderlinge koersverhoudingen. Pas in 1949 kwamen vaste wisselkoersen tot stand. In de 72 jaar nadien hebben zich vele verschuivingen voorgedaan, in inkomen, prijzen en wisselkoersen. Dat roept de vraag op hoeveel 430 Zwitserse Franken toen, nu in euro’s waard zouden zijn[3]. Uitgaande van de wisselkoersen in 1946 kwam dat in guldens voor dat jaar neer op 265 gulden. Op een gemiddeld jaarinkomen in Nederland in 1946 van ruwweg 2150 gulden, was dat een aanzienlijke uitgave. Het duidt op enige welstand bij mevrouw Beguin. Uitgedrukt in euro’s van nu, zou dat uitkomen op een ticketprijs van 1350 euro voor een retour. De feitelijke prijzen liggen een stuk lager, van 150 euro tot 650 euro. Tegelijk is het inkomen nu beduidend hoger. Kortom, vliegen is duidelijk veel goedkoper geworden.

De naam Beguin is in Voorburg niet onbekend. Dr. J.A.M. Beguin vestigde zich in 1872 als huisarts in Voorburg, in een pand aan de Zwartelaan. Naar hem is de dokter Beguinlaan vernoemd, in Damsigt.  Hij is meer dan 50 jaar huisarts geweest. Zijn zoon A.M.R. Beguin vestigde zich in 1921 als notaris in een voornaam pand in de Herenstraat in Voorburg, waarin zich nu Museum Swaenstein bevindt. Hij had overigens eerst voor priester gestudeerd, de mare gaat dat hij in de tuin aan de Zwartelaan vaak liep te brevieren. Pas later koos hij alsnog voor het notarisberoep. Niet duidelijk is wat de relatie van de eerdergenoemde mevrouw Beguin is tot deze familie.

[1] Nieuwe Overijsels Dagblad, Rooms Katholiek Dagblad voor Overijsel, 17 juni 1946, blz. 1 (Toen werd Overijsel nog met één s geschreven)

[2] Dienstregeling KLM voorjaar 1946

[3]  De volgende berekeningen zijn van het kaliber bierviltje.

Vroeger was alles beter, hoe vaak hoor je dat niet. In dit artikel echter staat een praktijk, waarvan ik denk dat de meeste mensen blij zijn dat deze in die vorm niet meer bestaat.

Waarschijnlijk ontstaan in de tijd van de gildes, waren in de detailhandel vaak afspraken gemaakt om oneerlijke vormen van concurrentie zo goed mogelijk tegen te gaan. Daarbij kwam een houding van de rijksoverheid dat dergelijke onderlinge afspraken natuurlijk niet mochten, maar wel getolereerd werden. Die afspraken betroffen marktafspraken, prijsafspraken maar ook richtlijnen omtrent winkeltijden en vakanties. O wee als je als producent of winkelier hiervan afweek. Je werd direct bestraft doordat je niet meer beleverd werd of kon rekenen op onderlinge hulp.

Hier is een mooi voorbeeld van zo’n afspraak.

Onlangs werd bekend dat tamelijk onverwacht burgemeester Klaas Tigelaar per 1 september afscheid zal nemen als burgemeester van Leidschendam-Voorburg. Er is al een tijdelijk burgemeester gevonden, maar nu moet er een sollicitatieprocedure plaatsvinden voor een opvolger. Hoe die ook zal verlopen, de kans dat de installatie te zijner tijd op dezelfde manier zal verlopen als die voor de heer Noteboom in juli 1946 lijkt uiterst gering.

Zoals uit de foto blijkt werd hij met alle egards ontvangen bij het viaduct Laan van Nieuw Oost Einde door de voorzitter van de Commissie van Ontvangst. Vervolgens was de officiële installatie in het gemeentehuis van Voorburg. Daar was een uitgebreid gezelschap aanwezig, niet alleen raadsleden maar ook genodigden. De locoburgemeester benutte zijn toespraak niet alleen om het eigen karakter van Voorburg te benadrukken, maar ook om zich, opnieuw, duidelijk uit te spreken tegen de ook toen weer oplaaiende annexatieplannen van Den Haag.

De heer Noteboom had al een politiek leven achter zich.  Nadat hij eerst particulier secretaris was geweest van de heer Idenburg, voormalig gouverneur-generaal in toen nog Nederlands-Indië, werkte hij vanaf 1921 voor de Dr. A. Kuyper Stichting (het wetenschappelijk bureau van de ARP). Vanaf 1931 was hij directeur van deze Stichting.  In 1939 kwam hij in de Provinciale Staten van Zuid-Holland. Noteboom werd in oktober 1940 door de Duitsers opgepakt, hij belandde als Indisch gijzelaar in het concentratiekamp Buchenwald. Vanaf eind 1941 was hij als gijzelaar geïnterneerd in Noord-Brabant. Kort na Dolle Dinsdag (5 september 1944) werd Zuid-Nederland bevrijd en kwam ook de heer Noteboom vrij. Hij kreeg een aanstelling als militair commissaris in Brabant. Van daaruit werd hij in 1946 burgemeester van Voorburg. Daarnaast was hij Hoogheemraad van Delfland. In 1958 ging hij met pensioen, maar dat belette hem niet om nadien nog tijdelijk burgemeester van Culemborg en Goes te zijn.

Burgemeester Noteboom volgde burgemeester Nederbragt op. Deze werd na de oorlog bekritiseerd om zijn te toegeeflijke houding jegens de bezetter. De in zijn naam doorgevoerde maar natuurlijk altijd door de Duitsers oplegde maatregelen aangaande de jodenvervolging, de Arbeitseinsatz en de volkshuisvesting, leidden na de bevrijding tot openlijke kritiek op zijn beleid. Er volgden geen maatregelen van hogerhand, maar wel werd hij weggepromoveerd naar een positie bij de juist gestarte VN. Hij eindigde zijn loopbaan als de eerste ambassadeur van Nederland in Israël.

Een paar afleveringen terug in deze serie kwam de benoeming van dr. Noteboom als burgemeester van Voorburg aan bod, in juli 1946. In dat verhaal werd beschreven dat de heer Noteboom voor en na dit burgemeesterschap een breed scala aan functies had vervuld. Daarbij werd ook aangegeven dat hij al in oktober 1940 in Buchenwald terecht gekomen was, tot in 1941. Dat was ongeveer dezelfde periode als Willem Drees, vooraanstaand lid van de SDAP. Waarschijnlijk zullen ze elkaar daar gesproken hebben, zo ze al niet voor de oorlog contact hadden gehad. Vanaf eind 1941 was de heer Noteboom geïnterneerd in Noord-Brabant. Na de bevrijding van Zuidelijk Nederland, in september 1944 had hij een rol als militair commissaris in Noord-Brabant. Toen Nederland in mei 1945 helemaal bevrijd was, volgde hij Hendrik van Boeijen op als voorzitter van het Centraal Orgaan voor de Zuivering van Overheidspersoneel. (Terzijde , Hendrik van Boeijen was van 1941 tot begin 1945 in Londen. minister van Binnenlandse Zaken in het oorlogskabinet Gerbrandy II. Eerder was van Boeijen wethouder geweest in Voorburg).

Of het nu zijn positie als voorzitter van het Centraal Orgaan is geweest, zijn rol als militair commissaris, of zijn bekendheid met Drees, hij lichtte (lid van de ARP) in september 1946 het standpunt toe van de heren Mansholt en Vos (beiden SDAP), namelijk dat Dr. Hirschfeld ondanks zijn vele verdiensten nog slechts als adviseur van de regering zou kunnen optreden. Hij kwam niet meer in aanmerking voor een terugkeer als Secretaris-Generaal van het Ministerie van Economische Zaken. De heer Hirschfeld had hiertegen beroep aangetekend bij de Raad van State. De heer Noteboom beschreef de verdiensten van de heer Hirschfeld, met name in de eerste maanden van 1945. Het bezette gebied zuchtte onder de hongerwinter. Mede dankzij Hirschfeld ontstonden contacten tussen het verzet, de Nederlandse regering in ballingschap en Seiss-Inquart. Mede door die contacten en de daaruit voortvloeiende voedseldroppings werd het leven van veel mensen gered.

Maar, en dat was een belangrijke maar, Hirschfeld, aldus Noteboom, was dat Hirschfeld tijdens de oorlog het belang van Nederland vooral meende te dienen door telkens terdege rekening te houden met de wensen van de Duitse bezetter. Daarbij distantieerde hij zich van het verzet. In het verlenen van medewerking aan de bezetter ging de heer Hirschfeld, aldus de heer Noteboom, verder dan hij voor een Nederlandse ambtenaar toelaatbaar achtte. Hij adviseerde dan ook dat het beroep van de heer Hirschfeld zou worden afgewezen. De Raad van State besliste dat het beroep aangenomen werd, en legde het besluit voor ontslag voor bij de Kroon. Het in juli 1946 aangetreden kabinet Beel vernietigde het eerdere besluit. Daarop besloot Hirschfeld niet terug te keren naar het Ministerie van Economische Zaken. Binnen een paar dagen stelde de regering hem vervolgens aan als Regeringscommissaris in algemene dienst, in welke hoedanigheid hij betrokken was bij de dekolonisatie van Indonesië en de naoorlogse politiek van Nederland ten aanzien van Duitsland.

Er is nadien veel te doen geweest over de rol van de heer Hirschfeld en de wijze waarop over hem na de oorlog geoordeeld is. Waar de heer Noteboom vooral de in zijn ogen principiële afwijzende houding ten aanzien van het verzet hekelde, daar namen anderen het juist voor Hirschfeld op als kundig ambtenaar, met een brede blik en een veelheid aan contacten. Deze laatste opvatting is uiteindelijk doorslaggevend geweest.

Tegenwoordig is het woord complot alom aanwezig. Complot-’denkers’ beweren bijvoorbeeld dat de presidentsverkiezingen in de Verenigde Staten gestolen zouden zijn,  en dat Bill Gates micro-chips in de Covid-vaccins zou hebben gestopt (voorwaar, een Nobelprijs waardige technische prestatie) of dat pedofielen niet alleen ons land  de hele wereld willen regeren. Qua creativiteit is er met deze complot- ’denkers’ niets mis, maar voor de rest zijn ze geen verrijking van de samenleving.

Ook in 1946 was er in Voorburg, blijkens bijgaand artikel, tenminste ook één echt complot, maar gelukkig wel op wat bescheidener schaal: namelijk een complot van fietsendieven. Alhoewel bescheiden…. Een fietsendief met wel 7 voornamen, waarvan Otto er waarschijnlijk ook één is, dat kom je tegenwoordig niet vaak meer tegen. Daarbij ging deze dief zeer geraffineerd te werk, en slaagde hij, met anderen in het complot, erin om tenminste 5 motorfietsen en 2 fietsen te stelen. Dankzij langdurige naspeuringen (langdurig, dat klinkt bij politiezaken weer heel bekend in de oren) slaagde de politie erin om Otto en zijn handlangers te arresteren. Tegenwoordig duurt een politieonderzoek nog steeds lang, maar lijkt de kans op het pakken van de boef toch geringer. Ook lijkt er tegenwoordig ook minder vaak schuld bekend te worden door de daders, die zich niet zelden in stilzwijgen hullen. Maar hulde voor de Hermandad om het complot van Otto en zijn handlangers te ontmaskeren.

 

Bron: De Nieuwe Nederlander, 10-10-1946

Vroeger was Voorburg nog een rustig, gezapig oord. Hier gebeurde zogezegd nooit wat. Zo de politie al handelend op moest treden, dan was het toch bij dronkenschap of een fietsendiefstal. Harde criminaliteit was voorbehouden aan de grote steden. Agenten in Voorburg hadden zogezegd een luizenleventje… Tegenwoordig is dat niet meer zo. Niet alleen is de politie sterk gecentraliseerd, en valt Voorburg onder de regio Den Haag, maar als je de media mag geloven, dan is ook in Voorburg de agressie toegenomen, worden er diefstallen gepleegd, auto’s belaagd en anderszins wetsovertredingen begaan.

Ter relativering, bijgaand artikel uit november 1946. De beschrijving is pakkend, en zeker bruikbaar als script voor een detective. Sappige details – wel 5 schoten vanachter een boom, een bruine Amerikaanse vilthoed, ijverige naspeuringen, revolverheld -, daar zaten de lezers toen en ook nu op te wachten. Jammer dat de te hulp gesnelde collegae deze onverlaat niet hebben kunnen terugvinden in Park Middenburg. Maar in ieder geval werd een auto-inbraak voorkomen. Hulde voor onze Hermandad.

Een solide gemeentelijke begroting wordt beschouwd als een teken van goed beleid, zeker als dat gerealiseerd wordt bij een acceptabel lage belastingdruk. Als dan ook nog de gemeentelijke voorzieningen positief beoordeeld worden, dan is het beeld helemaal rooskleurig. De burger krijgt waar voor zijn/haar geld, en er wordt geen geld over de balk gegooid. Uit bijgaand artikel blijkt dat Voorburg tot 1943 in een dergelijke situatie verkeerde, maar dat sindsdien de situatie drastisch verslechterd is. Voor 1946 wordt de financiële situatie als allesbehalve rooskleurig geschetst. Er werd een tekort geraamd van 146.000 gulden.

Ook toen al waren gemeenten grotendeels afhankelijk van inkomsten uit het gemeentefonds. Elke verandering daarin heeft gevolgen voor de begroting van afzonderlijke gemeenten. Blijkbaar is er in 1943 een verandering doorgevoerd, waardoor de inkomsten van de gemeente Voorburg duidelijk terugliepen. Dat resulteerde in tekorten vanaf 1944.  Waarschijnlijk vanwege de oorlogsomstandigheden had men nog geen mogelijkheid gehad om het financiële evenwicht enigszins te herstellen, maar blijkbaar was het moment eind 1946 daar om verschillende belastingverhogingen door te voeren dan wel voor te bereiden.

Gelet op het tekort van ƒ 146.000 is het opmerkelijk dat de gemeente Voorburg bijna ƒ 59.000 reserveert voor ‘groene investeringen’. Er zullen nieuwe bomen worden geplant, en wandelpaden en plantsoenen zullen opnieuw worden aangelegd. Ook al kwam men geld op de begroting tekort, het ‘groene’ herstel werd blijkbaar zo waardevol geacht dat men daarvoor ruim in de buidel wilde tasten. In de hongerwinter waren noodgedwongen heel veel bomen gekapt om zo huizen te verwarmen en te kunnen koken. Die kaalslag moest natuurlijk aangepakt worden (zie ook het kranten-artikel voor februari 1946 op deze site, over een boomplantdag in 1946). Maar er was meer nodig, vandaar deze investering. Waarschijnlijk zijn tal van deze bomen nog altijd langs onze straten terug te vinden. Een prima investering dus.

Er wordt veel geklaagd over de wijze waarop wij in Nederland de laatste twee jaar de vaccinaties vanwege COVID hebben georganiseerd. Met enige reden. Er werd te laat of te weinig ingekocht, de campagnes hadden eerder kunnen beginnen, en wie uiteindelijk het vaccin mocht zetten – GGD, huisartsen, anderen – bleef ook vaag. Zeker, uiteindelijk kwam het toch vaak nog goed, maar het ging moeizaam.

De procedures voor vaccinatiecampagnes en voor de distributie van schaarse goederen vertonen enige overeenkomsten. Er moet duidelijkheid zijn over beschikbaarheid van schaarse producten, wie voor het schaarse product in aanmerking kwam, en hoe de verdeling over rechthebbenden dan geregeld moet worden. Met de vaccinaties hebben we kunnen zien dat dat laatste geen sinecure is. Des te bewonderenswaardiger hoe men 75 jaar terug, zonder computers, in staat was om de distributie van schaarse goederen zoals bijvoorbeeld schoenen te organiseren. Natuurlijk, de behoefte aan tabak en aan schoenen was duidelijker aanwezig dan heden ten dage de wens om gevaccineerd te worden, maar desondanks hebben de toenmalige ambtenaren verantwoordelijk voor dit proces een prachtige prestatie geleverd. Waarschijnlijk was er ook toen kritiek, net als nu, maar waarschijnlijk was het eindoordeel positief. Laten we hopen dat dat ook nu zal gebeuren.

Wordt stenotypiste, dan bouwt u mee aan een welvarend Nederland!

Commercie en nationale trots gaan bij sportwedstrijden vaak samen. Zie de aandacht voor de races van Max Verstappen, voor de prestaties van ‘onze jongens’, en tegenwoordig ook meisjes, bij EK’s en WK’s voetbal, bij schaatswedstrijden en bij Olympische Spelen. Onlangs overleed Reinier Paping - de winnaar van de Tocht der Tochten in 1963 - en Brinta meende nog eens aan te kunnen haken bij hun reclamecampagne in 1963. Vanwege zijn prestaties verdiende Paping toen een reclamecontract, ter waarde van 500 gulden, een aansteker en een föhn. Terugkijkend komt dat toch wat karig over, en het ging bovendien niet eens om Brinta-gerelateerde zaken.

Maar commercie en nationale trots kunnen ook op andere manieren met elkaar verbonden worden. Zie het Voorburgse bedrijf Indola. Dat bedrijf koppelde in een advertentie in februari 1947 nationale trots aan het binnenhalen van een geroutineerde stenotypiste. Met uw hulp, zo was de strekking van deze advertentie, bouwt u mee aan een welvarend Nederland. Of deze wervende tekst geholpen heeft bij het vinden van de stenotypiste, is niet meer te achterhalen. Of ook andere bedrijven dezelfde soort tekst gebruikten evenmin.

Indola was een interessant bedrijf. In 1929 startte de firma Hollander & Kohn aan het Westeinde 86 in Voorburg[1]. Zij leverden producten voor kapperszaken, waaronder scheercrème. Drie jaar later ging men zich met kleine elektrische apparatuur bezighouden, zoals krultangen. Het bedrijf werd toen Indola genoemd. In 1936 werd bij Indola de eerste Europese droogkap gefabriceerd. Na de Tweede Wereldoorlog breidde het bedrijf gestaag uit. Er kwamen tal van nieuwe producten op de markt, zoals het eerste elektrische permanentsysteem, maar ook luchtverversingsapparaten, kleine motoren en comprimeermachines. Tegelijk werden chemisch-cosmetische artikelen vervaardigd. Er kwam nieuwbouw in Rijswijk, en het bedrijf groeide gestaag, tot bijna 600 mensen. Het ontwikkelde zich tot een ware multinational, met vestigingen in Voorburg, Brussel, Wenen, Parijs, Zurich en Neuss, en verkooppunten in Parijs en Düsseldorf. Vanaf de jaren ’70 volgden overnames en reorganisaties elkaar snel op. Uiteindelijk werden de activiteiten in Voorburg rond 2000 beëindigd. Op het terrein staat nu nieuwbouw, op de Scheepmakerij en op een deel van de Watertorenlaan. Overigens bestaat het merk Indola nog steeds en worden de haarverzorgingsproducten vanuit Nieuwegein gedistribueerd.

[1] Bovenstaande informatie is gebaseerd op  https://nl.wikipedia.org/wiki/Indola, en op https://shie.nl/bedrijven/indola-kappersbenodigdheden-1929-heden/

Voorburg is altijd al een gemeente geweest waar kunstenaars zich thuis voelden. Dichters als Constantijn Huygens, schilders als Gerard Henkes en Arie Zwart, architecten als Jan Wils en Herman van der Kloot Meyburgh, en vormgevers als Piet Zwart, om een paar namen te noemen, woonden hier. Maar ook artistieke bezoekers zijn het vermelden waard, zoals Johan Weissenbruch en Vincent van Gogh.

In dit rijtje hoort zeker ook Albert Termote thuis. Zijn beelden zijn alom bekend. Zo staat bij de Hoge Raad zijn beeld van Cornelis van Bijnkershoek, een jurist en rechtsgeleerde, vermaard om zijn bijdragen aan het internationaal recht. In Voorburg staat het imposante beeld van Corbulo, gezeten op zijn paard. Iedere Voorburger kent dat. Op 26 maart 1947 vierde Ternote  zijn 60e verjaardag. Het Binnenhof schreef er een lovend artikel bij.

Albert Termote was in 1887 geboren in België, in Lichtervelde, maar vluchtte vanwege de Eerste Wereldoorlog via Engeland naar Nederland. Lichtervelde lag niet ver van plaatsen als Ieper en Passchendaele, plaatsen waar ontelbaar veel soldaten in de loopgraven gesneuveld zijn. Eerst woonde Termote in Amsterdam, daarna in Volendam, maar in 1922 verhuisde hij op aanraden van de schilder Jan Bakker naar Voorburg. Hij was vooral bekend vanwege de grote imposante beelden (als dat van Corbulo te paard), maar maakte ook faam met klein, ambachtelijk figuratief werk. Bijzonder eervol was het oorlogsmonument dat op de hoek van de Van Alkemadelaan en de Stevinstraat hangt, tegen de muur van het Oranjehotel. Dit monument, uitgevoerd door Termote, is op 16 september 1950 door koningin Juliana onthuld. De tekst op het monument luidt  ‘Zij waren eensgezind’. Albert Termote had ateliers in Voorburg, zoals op het Zwartepad. Voor de grote beelden kon hij terecht in de lijnwerkplaats van de NS aan de overkant van de Vliet. Hij woonde eerst aan de Koningin Wilhelminalaan, later aan de Noorderburglaan. Termote overleed op 13 april 1978 in Voorburg.

Helaas hebben we de laatste maanden taferelen gezien in Oekraïne, die zichtbaar maakten wat een echte oorlog betekent voor bewoners, voor het bedrijfsleven en voor de infrastructuur (wegen, spoorwegen, scholen, ziekenhuizen, gemeentehuizen). Hoe lang zal het duren voor deze zaken weer hersteld zijn, dat mensen weer kunnen wonen, werken, studeren, ontspannen? Deze beelden zullen oudere HVV-leden doen terugdenken aan de Tweede Wereldoorlog. Lang hebben we gedacht dat die verschrikkingen achter ons lagen. Dat zoiets nooit meer zou gebeuren, en dus ook dat we ons geen inspanningen meer hoefden te getroosten om in vrede en democratie te kunnen leven. We zijn hardhandig ontwaakt.

Het had even geduurd, maar op 2 juni 1947 kon de Blauwe Tram weer het hele traject naar Scheveningen afleggen. Eindelijk, want deze lijn was ruim 4 jaar buiten gebruik geweest. Vanwege de aanleg van de Atlantikwall, die het tracé ter hoogte van de Raamweg kruiste, kon de Blauwe Tram vanaf de winter 1942/’43 niet verder rijden dan het Malieveld. De rest van het tracé was daarna verwijderd, en het bruikbare materiaal grotendeels afgevoerd naar Duitsland. Dat laatste gold ook voor veel van het rijdend materieel. Wegens de grote schaarste aan grondstoffen, duurde het herstel ruim twee jaar.

Maar op die tweede juni 1947, klokke half vijf, kon de Blauwe Tram op dit traject weer gaan rijden. Met bloemen en vlaggen werd de opening feestelijk gevierd. Een voornaam gezelschap maakte de eerste rit mee, met tal van burgemeesters (waaronder ook de burgemeester van Voorburg: J. W. Nootenboom), directeuren van NZHTM en HTM en tal van anderen. Onderweg naar Scheveningen werd een stop gemaakt bij het KLM hoofdkantoor. Het feestelijk gebeuren werd besloten met een diner in Seinpost, waar ook de toen net benoemde directeur van de NS (tevens president-commissaris bij de NZHTM) aan deelnam.

De nog altijd aanwezige aandacht voor de Blauwe Tram laat zien dat de waardering in die jaren groot moet zijn geweest, en dat deze opening ook daarom als heel belangrijk beschouwd werd.

Iedere volwassene in de Tweede Wereldoorlog wist dat activiteiten, die schadelijk voor de Duitse oorlogsvoering zou zijn, gevolgen zouden kunnen hebben. Als Duitsers dat ontdekten, kon dat betekenen dat mensen opgepakt werden. Ook metalen kabels werden als ‘kriegswichtig’ beschouwd.  Blijkbaar had het Gemeentelijk Electrisch Bedrijf Voorburg, al dan niet met kennis van de directeur, een kabel verborgen. Niet duidelijk is wat voor soort kabel dit precies was, wel dat deze actie de Duitsers niet beviel. Zowel de directeur als de verantwoordelijk wethouder waren gearresteerd.

De Duitsers waren op deze verborgen kabel geattendeerd door een voormalig medewerker van het GEB. Deze medewerker was ontslagen en in een boze bui had hij deze kennis aan de Duitsers doorgegeven. Hij heeft dat na de oorlog ruiterlijk toegegeven.
Het Tribunaal was na de oorlog opgericht om NSB’ers en andere landverraders te berechten. Het Tribunaal behandelde de ‘lichtere zaken’, zoals Nederlanders die lid waren geweest van één der Nederlandse Nationaal-Socialistische of fascistische organisaties, of één der Duitse, niet direct tot de krijgsmacht behorende organisaties. De zwaardere gevallen, zoals de zaak Kötalla (één van de Drie van Breda), werden behandeld door de daarvoor opgerichte Bijzondere Gerechtshoven. Blijkbaar werd deze Voorburgse verklikker tot de lichtere zaken gerekend.

Heel lang was een forse inflatie een herinnering aan een ver verleden. Rond 1975 lag de prijsstijging rond de 10%, waarbij de olieprijsstijging teweeg gebracht door de OPEC een belangrijke rol speelde. Momenteel maken we opnieuw een dergelijke periode mee, met snel oplopende prijzen voor energie en transport, en met aanzienlijke kraptes op de arbeidsmarkt. Ook dit keer komt het inflatiecijfer in de buurt van de 10%. Dat is wel weer even wennen.

Ook in de zomer van 1947 was er de vrees dat er weer (forse) prijsstijgingen zouden kunnen optreden. Er was nog volop schaarste, in Nederland en in veel andere landen. Het productieapparaat moest weer opgebouwd worden, de infrastructuur moest hersteld worden en de woningkrapte was aanzienlijk. Dat onder dergelijke omstandigheden de prijzen zouden kunnen oplopen, mag geen verbazing wekken.

Gelukkig was er een wakkere stichting die de regering per brief waarschuwde voor dit dreigende gevaar. Deze Stichting tot daadwerkelijke bestrijding van het inflatiegevaar, met het secretariaat in Voorburg, zag de oorzaak vooral in de aanzienlijke overheidsuitgaven. Blijkbaar had de regering zich voorgenomen om het ambtenarencorps snel met 25% te reduceren. Daarmee zou men de overheidsuitgaven duidelijk kunnen reduceren. De stichting had hiervoor ook suggesties aangedragen, die in dit artikel niet nader werden toelicht. Daarmee wordt helaas niet duidelijk waar de stichting mogelijkheden zag voor vermindering van de  overheidsuitgaven. In een situatie met de al eerder gememoreerde schaarstes maar zeker ook met de financiering van de oorlogsinspanningen in toenmalig Nederlands-Indië, is het denkbaar dat de overheid haar uitgaven niet gemakkelijk kon terugbrengen.

Terugkijkend kan geconstateerd worden dat de economische ontwikkeling van Nederland in de daaropvolgende jaren veel positiever is geweest dan zelfs de meest optimistische waarnemer in 1947 kon vermoeden. Daarnaast, de prijsstijging was in de periode 1947-1949 heel beperkt. Pas vanaf 1950 treedt er een versnelling op, vooral vanwege de doorwerking van de Koreacrisis.

Veel Nederlanders zijn in de Tweede Wereldoorlog in Duitse krijgsdienst geweest. Vooral na de inval in de Sovjet-Unie in juni 1941, probeerden de Duitsers zoveel mogelijk Nederlanders te werven om te vechten tegen het Bolsjewisme. Uiteindelijk hebben ongeveer 25.000 Nederlanders die keuze gemaakt. Al deze mensen verloren door deze keuze hun Nederlanderschap. Ongeveer 5000 kwamen om het leven. Wat betreft de overlevenden, een aantal heeft dat Nederlanderschap terug kunnen ‘verdienen’ door zich aan te melden voor de strijd in Nederlands-Indië, en later in de Korea-oorlog. In 1953 werd een amnestieregeling afgekondigd waardoor deze stateloze Nederlanders hun Nederlandse Nationaliteit weer konden terugkrijgen.

Één van de meest bekende Nederlanders in Duitse krijgsdienst was Gerard Mooyman uit Voorburg. Hij maakte die stap al op 18-jarige leeftijd.  Als commandant van een stuk antitankgeschut verdiende hij in 1942 het IJzeren Kruis Tweede en Eerste Klasse voor het vernietigen van enkele Sovjet-tanks. Maar hij werd vooral bekend door de strijd rond het Ladogameer.  In februari 1943 vernietigde Mooyman daar 13 vijandelijke tanks op één dag. De Duitsers zagen de publiciteitswaarde daarvan direct in. Hem werd het Ridderkruis van het IJzeren Kruis verleend. Daarmee was hij de eerste Nederlander en de eerste niet-Duitser die het Ridderkruis van het IJzeren Kruis ontving.

 

Toen de oorlog afgelopen was, werd hij direct door de Amerikanen opgepakt, en naar Scheveningen overgebracht. Hij ontsnapte twee keer, maar werd telkens weer gepakt. Uiteindelijk werd hij tot een gevangenisstraf van 6 jaar veroordeeld, maar al na twee jaar vrijgelaten. Hij trok zich terug in de anonimiteit. Veel later heeft hij zijn afschuw uitgesproken over de misdaden van de Duitsers.

Een wat ongelukkige kop boven dit artikel. En niet helemaal correct. Natuurlijk volgden  verpleegsters (mannen hadden duidelijk nog geen toegang tot deze opleiding) ook voordien al opleidingen, maar zoals in het artikel wordt toegelicht, had deze opleiding een totaal nieuwe opzet. Waar de bestaande opleidingen de verpleegsters direct in het ziekenhuis lieten beginnen, daar kregen deze verpleegsters de eerste vier maanden alleen onderricht. De idee was dat de verpleegsters daardoor een betere basis hadden en ook meer verantwoordelijkheid kon worden bijgebracht. Met die kennis gewapend kon men dan in de praktijk beter functioneren. Ook in de latere jaren is er een periode met meer ruimte voor theoretische kennis.

Daar was behoefte aan, zo had de geneesheer-directeur van het St. Antoniushove, geconstateerd. Dat gold zeker ook de aandacht voor godsdienstige kennis en de juiste (dus rooms-katholieke) kijk op het leven. Zoals op de foto valt terug te zien, werd de opening verricht door mgr.  Pichot, maar de aanwezigheid van de burgemeesters van Voorburg en Leidschendam onderstreepte ook duidelijk het lokale belang. Ontegenzeggelijk was de locatie voor de opleiding, een markante villa in Park Vronesteyn, een aantrekkelijke. De opleiding is daar tot 1986 gevestigd geweest. Daarna is het pand verkocht aan het bisdom Rotterdam, die er een priester- en diakenopleiding startte.

Nederland kampt momenteel met een veelheid aan problemen: inflatie, energieschaarste, klimaatbeleid, immigratie, stikstofaanpak, om er maar een paar te noemen. De woningnood hoort er zeker ook bij. Er is sprake van woningschaarste: te weinig koop- en huurhuizen, te hoge prijzen, lange wachtlijsten, moeizame bouwprocedures. Daarbij wordt een en ander nog verergerd doordat veel van de genoemde problemen ook nog met elkaar samenhangen. Het kabinet mag dan ingrijpende plannen hebben om tot 2030 tenminste 800.000 woningen te bouwen, zeker hier geldt: eerst zien, dan geloven.

Ook 75 jaar geleden speelde dit probleem al, ook in Voorburg, zoals uit bijgaand bericht blijkt. Ook toen was er in onze gemeente grote woningnood, en waren er zeer veel gedupeerden. Er worden 4 oorzaken genoemd: bouwstilstand vanwege de oorlog, sterke migratie uit andere gemeenten, natuurlijke bevolkingsaanwas, en immigratie. Zeker de laatste drie oorzaken spelen ook nu weer een grote rol.  In het tweede deel van het artikel wordt veel nadruk gelegd op de verplichting om nog ‘beschikbare’ woonruimte in het eigen huis aan te melden. Daaraan was de verplichting gekoppeld om die ‘beschikbare’ woonruimte ook daadwerkelijk beschikbaar te stellen voor woningzoekenden. Dat verplichtte huisvestingsbeleid beleid heeft in die jaren zeker geholpen om voor een aantal mensen huisvesting te vinden, hoe beperkt ook. Op dit moment wordt een dergelijk beleid niet ingevoerd, maar feitelijk is de situatie van veel  woningzoekenden nu daarmee toch goed vergelijkbaar, gedwongen als ze zijn om in te wonen bij familie en vrienden.

Het is nog maar kort geleden dat in Voorburg alle Intercity’s  van de NS stopten. Dat was een ongekende luxe. Met slechts 5 keer stoppen (Utrecht, Amersfoort, Zwolle, Assen) kon men zonder overstappen in Groningen aankomen. Een dergelijke rit was ook mogelijk naar Enschede. En dat terwijl gemeenten als Delft en Gouda toen geen Intercitystation waren! In Voorburg stopten alle treinen, behalve de internationale treinen, maar vanaf de jaren ’80  reden die toch al niet meer van en naar Den Haag Centraal.

Waar had Voorburg dat voorrecht aan te danken? Niet aan zijn bevolkingsomvang, niet aan een druk OV-knooppunt, wel aan afspraken die rond 1870 bij de aanleg van de spoorbaan waren gemaakt. Toen werd door de Nederlandsche Rhijnspoorweg-Maatschappij het baanvak Gouda-Den Haag in gebruik genomen. Deze maatschappij exploiteerde een aantal lijnen vanuit Duitsland, richting Utrecht, Amsterdam, Rotterdam en Den Haag. Voor het tracé naar Den Haag moest men langs Voorburg.

Er gaan twee verhalen over de reden dat iedere trein op die lijn in Voorburg moest stoppen. De eerste is dat dat als compensatie voor het verlies van een belangrijk deel van de tuin van Hofwijck beschouwd werd. Het tweede verhaal stelt dat een bekende inwoonster van Voorburg, Prinses Marianne, aangedrongen had op een station in haar woonplaats waar ze altijd op de trein kon stappen.

Hoe het ook zij, in 1948 gold blijkbaar de afspraak nog, maar werd die niet nagekomen. Gelukkig voor de Voorburgers toen kondigde de NS in dit artikel aan, dat vanaf 9 mei bij de nieuwe dienstregeling alle treinen (behalve de internationale D-treinen) weer zouden stoppen op station Voorburg.

Helaas voor ons Voorburgers is op 10 December 2006 een einde gekomen aan het stoppen van Intercity treinen op station Voorburg. Sinds die datum stoppen er alleen nog de Sprinters.  

Voorburg kent een aantal musea, waarvan Swaensteijn en Hofwijck de meest bekende zijn. Uit bijgaand artikel blijkt dat Voorburg ooit ook een fotomuseum heeft gehad. Dat museum was opgezet door Auguste Grégoire, een zeer enthousiaste amateurfotograaf. Zijn museum was gevestigd in zijn woonhuis aan de Rembrandtlaan 88, waar Grégoire geruime tijd met zijn tweede vrouw heeft gewoond. De laatste jaren van zijn leven woonde hij aan de Conradkade in Den Haag.

Auguste Grégoire (1888-1971) groeide op in Den Haag. Na zijn schooltijd wilde hij graag kunstschilder worden, maar zijn vader ontried hem dat. Hij wilde dat zijn zoon een degelijker beroep zou kiezen. Hij werd leerling van een bekende (hof-)fotograaf in Den Haag in de Prinsestraat, Henri de Louw. Deze man liet Grégoire hard werken, 80 uur per week en 2 zondagen per jaar vrij. Dienstbaarheid en hard werken stonden centraal. Na een paar jaar koos Grégoire in plaats van voor een bestaan als fotograaf voor een baan in de meubelhandel.

Wel bleef hij actief als amateurfotograaf en was hij vele jaren voorzitter van de Haagsche Amateur Fotografen Vereeniging. Vanaf 1933 begon hij aan de opbouw van een collectie van foto’s die de ontwikkeling van de techniek duidelijk maakte. Tegelijk richtte hij ook zijn aandacht op het werk van de beste Nederlandse fotografen, met de intentie om al dit materiaal ooit in een museum onder te brengen. Dat museum probeerde hij in 1939, bij het honderdjarig bestaan van de fotografie (Daguerre maakte de eerste foto’s in 1839) te realiseren. Dat is niet gelukt, en daarom opende hij, een waarschijnlijk provisorisch fotomuseum in zijn eigen woonhuis aan de Rembrandtlaan. Onduidelijk is of dat museum veel bezoekers trok.

Wel was Grégoire’s  collectie vermaard. In 1953 ontving hij de Zilveren Anjer, uit handen van Prins Bernard. Gegeven zijn aanhankelijkheid voor het Koningshuis was dat een persoonlijk hoogtepunt. In datzelfde jaar ging zijn collectie over naar het Prentenkabinet van de Universiteit Leiden. Uit deze collectie zijn verschillende tentoonstellingen voortgekomen, niet alleen in het Prentenkabinet, maar in 1989 bijvoorbeeld ook in het Stedelijk Museum Gouda.

Grégoire was niet alleen actief als amateurfotograaf, hij heeft ook verschillende sporten beoefend, waaronder schermen, schieten en bobsleeën. Kortom, een veelzijdig iemand, die het verdient om niet in vergetelheid te raken.

Ook bijna drie jaar na de oorlog was er nog steeds rantsoenering van allerlei producten. De tekst in bijgaand bericht ‘Mannelijke personen geboren in 1930 of eerder, die niet in bezit zijn van een tabakskaart QA 802‘ maakt duidelijk dat: 1) alleen mannen die niet een tabakskaart QA 802 bezaten recht hadden op een rantsoen scheerzeep (je krijgt de indruk dat de meeste mannen die tabakskaart blijkbaar wel hadden en dus rookten), 2) je pas vanaf je 18e geacht werd je met scheerzeep te moeten scheren, en 3) iedere volwassene (nog) beschikte over een TD (Tweede Distributiestamkaart).

Slechts onder die voorwaarden kon men een rantsoen scheerzeep in ontvangst nemen, althans bij inlevering van bonnen die men dan weer eerder had moeten ophalen bij het Centraal Uitreiklokaal (in de Vlietstraat) op de genoemde uren. Als die mannen een baan hadden, moesten ze gelet op die tijden wel iemand anders sturen om de bonnen op te halen.

Kortom, ook in april 1948 was een stoppelige baard waarschijnlijk nog lastig te voorkomen.

Soms is het maar goed dat je de toekomst niet kent. Bij de zware aardbeving onlangs in Turkije las ik een bericht dat een Turks familielid uit Nederland pas na lang aandringen besloten had om begin februari 2023 bij familie in Gaziantep op bezoek te gaan. Altijd had hij het argument van een mogelijke aardbeving gebruikt om niet op de uitnodiging in te gaan. Nu was hij wel op bezoek, en zal hij nooit meer naar Nederland terugkeren.

Onwillekeurig kwamen soortgelijke gedachten op bij lezing van bijgaande annonce voor een woningruil. De aangeboden woning lijkt op basis van de beschrijving helemaal in orde. Zeker in een periode dat er nog een ernstige woningnood in Nederland bestond, trok een dergelijk aanbod zeker de aandacht. Ongetwijfeld ook in voormalig Nederlands-Indië, waar vanaf september 1946 Nederlandse troepen waren aangekomen, en waar vanaf hun aankomst de spanningen tussen deze troepen en de troepen van de Republiek Indonesië duidelijk merkbaar waren geweest. In 1947 was er de eerste politionele actie[1] gehouden, waarin de Nederlandse troepen weliswaar belangrijke doelen hadden bereikt, maar geen eindoverwinning. Ook daarna bleef het onrustig, op militair en politiek terrein. Aan het einde van 1949 werd Indonesië definitief onafhankelijk, en de Nederlanders moesten vertrekken.

Dat doet de vraag rijzen wat de vertrekkende familie beoogde met haar vertrek naar Batavia? Hoe lang zijn ze daar gebleven? Hoe keken ze terug op die keuze? Had men die latere ontwikkelingen toen kunnen inschatten? Kortom, een gewone woningruil, maar op een opmerkelijk moment.

(Het Dagblad Uitgave van de Nederlandse Dagbladpers in Batavia)