De Krant van Gisteren

100 jaar geleden

De Krant van Gisteren

100 jaar geleden

De krant van gisteren is goed om vis in te verpakken, althans zo luidt het gezegde. Na zo'n 100 jaar wordt diezelfde krant weer boeiend. Hieronder treft u een reeks artikelen uit de kranten van 100 jaar geleden. De reeks begon met een bericht uit februari 1920 (we zijn al even bezig). Maandelijks wordt de rubriek aangevuld.

Berichten van de kranten net na afloop van de tweede wereldoorlog leest u hier

De krant 75 jaar geleden

Al ruim een eeuw wordt er gesproken over annexatieplannen van Den Haag richting Voorburg en Rijswijk. Lang kon Den Haag zich nog ontwikkelen door nieuwe woonwijken te bouwen rondom het Oude Centrum, maar al aan het begin van de 20e eeuw raakte Den Haag volgebouwd. Er waren nauwelijks meer uitwijkopties, ingesloten als Den Haag  was door de Noordzee, Wassenaar, Voorburg, Rijswijk en het Westland. Begerig keek Den Haag dan ook naar de randgemeenten. Daar was de noodzakelijke ruimte voor uitbreiding van Den Haag te vinden.
In dit artikel wordt vooral de mogelijke annexatie richting Voorburg en Rijswijk beschreven. Den Haag mocht dan sterk groeien, de randgemeenten groeiden nog sterker. En ja, beiden hadden een charmante dorpskern, maar ook nieuwe wijken die qua bewoners eigenlijk nieuwe buitenwijken van Den Haag waren. En, zo gaat de auteur verder, als we kijken naar de energievoorziening, de riolering, de telefonie en het openbaar vervoer, overal is Den Haag de verantwoordelijke gemeente. In de toekomst moet Den Haag hier nog sterker het voortouw nemen, zo is de boodschap van dit artikel. Dat zou Den Haag en de randgemeenten ten goede komen. 
De boodschap is duidelijk, annexeren is meer dan verstandig. Wel werd dat jammer gevonden voor de overwegend katholieke inwoners van Veur en Stompwijk. Na de onvermijdelijk geachte annexatie zou de Rooms Katholieke kerk, zo sterk aanwezig in deze gemeenten, in het grote Den Haag, politiek geen rol van betekenis meer kunnen spelen. Dat zullen de katholieke lezers in Brabant zeker betreurd hebben.

(Provinciale Noordbrabantsche en ’s Hertogenbossche Courant)
 

Terreinen met archeologische resten zijn kwetsbaar, en daardoor is niet of nauwelijks toegestaan ze te betreden. Zolang die resten onder het aardoppervlak liggen, is er nog niet zoveel aan de hand. Maar eenmaal blootgelegd is men zeer bezorgd dat onbevoegden met vondsten uit een dergelijke site aan de haal gaan. Ook is men bezorgd dat mensen met metaaldetectoren een dergelijk terrein gaan verkennen, en, als het apparaat duidelijke signalen afgeeft, ook zullen proberen zaken op te graven. Daarom worden archeologische objecten zoals het Romeinse Forum Hadriani in de ondergrond van Voorburg, wettelijk beschermd
Dit artikel wekt de indruk dat 100 jaar geleden men iets gemakkelijker met opgravingen omging. De opgraving van overblijfselen uit de Romeinse tijd waarvan nu bekend is dat het Forum Hadriani betrof, kon door belangstellenden bezocht worden.  Naast een vrij vage aanduiding van de locatie, lijkt de toestemming om het terrein te mogen betreden gemakkelijk gegeven te worden. Jammer dat het artikel niet ingaat op de vraag wat daar toen te zien was…

(Delftsche Courant)


 

Voorburg had 100 jaar geleden een eigen renbaan voor paarden; een particuliere baan van de heer Kruithof. Het baantje was bestemd voor korte afstandsnummers, maar waar die renbaan precies lag kon helaas niet meer getraceerd worden. 
Hoe klein ook, men probeerde goed voor de dag te komen. In 1924 slaagde men er zelfs in om de eerste courses van het seizoen te organiseren, een week voor die op Duindigt. De accommodatie was recent op orde gebracht. Juist omdat in en om Den Haag veel geschikte kortebaanpaarden aanwezig waren, en er ook voldoende mensen woonden die dergelijke races zouden willen bezoeken, bestond er dus kans op succes, zo was althans de verwachting. Die verwachting is echter niet uitgekomen, alleen in 1923 en 1924 heeft, volgens de site van de Nederlandse Draf- en Rensport, deze renbaan gefunctioneerd.
De heer Kruithof is vooral bekend geworden als aannemer die het Olympisch Stadion voor de Spelen van 1928 heeft gebouwd, naar een ontwerp van architect Wils, ook iemand met Voorburgse verbindingen.

(Telegraaf)
 

Kleding van schoolleerlingen lijkt een onderwerp van alle tijden. De jas al dan niet blijven aanhouden in de klas, het dragen van een pet, te blote truitjes. Telkens weer duiken berichten op van scholen waar leraren dan wel de schooldirectie menen dat de leerling zijn - dan wel haar - kledingkeuze moet aanpassen. Daarnaast maken sommige ouders zich begrijpelijk zorgen over de kosten van de kleren die hun kind naar school aan wil. Dure merktruien en dure schoenen ‘moet’ je nu eenmaal dragen, om ‘erbij’ te horen. In dat verband zijn er soms ook pleidooien om net zoals bijvoorbeeld op veel Engelse scholen, schoolkleding voor te schrijven gebruiken, zodat ouders niet meer onnodig op kosten gejaagd worden. Modegevoelige leerlingen zullen daar vast niet enthousiast over zijn.
Nu 100 jaar terug speelde blijkbaar een soortgelijke kwestie op de openbare school aan de Vlietstraat in Voorburg. Het schoolhoofd, hier aangeduid als een ‘potentaatje’, was van mening dat kinderen netjes gekleed moesten zijn (wat is netjes?) en dat betekende voor meisjes een ‘schoone wit schort’. Dat lijkt verdacht veel op een schooluniform. Een meisje dat niet aan deze eisen voldeed, moest daarvoor strafwerk maken. De journalist van deze krant vond dat te ver gaan, en adviseerde een wat omzichtiger benadering, van zowel deze leerling als van de ouders. Maar hoe die benadering er dan uit moest zien, maakte hij niet duidelijk. Daar schoot het ‘potentaatje’ dus weinig mee op…
 

Wonen op het Oosteinde heeft van oudsher een grote aantrekkingskracht. Meest mooie huizen, met een grote tuin, soms met vijver, grenzend aan de Vliet, allemaal zaken die vroeger en nu zeer gewaardeerd worden. Hier gaat het om de verkoop van een onder architectuur gebouwde villa, genaamd ‘Mooizicht’. Ook toen blonken huiseigenaren of architecten niet altijd uit in inspirerende namen. De kamerindeling en de aanwezige voorzieningen waren zeker voor die tijd van uitstekend niveau. Kortom, een prima aanbieding. 
Op 2 donderdagen kon er geboden worden op dit pand, bij de tweede keer op afslag. Dan zakte de prijs totdat een koper toehapte. Maar blijkbaar kon men ook buiten de veiling om (‘Inmiddels uit de hand te koop’) een bod doen, en dan maar zien of de verkoper bereid was dat te accepteren.
Rest de vraag waar villa ‘Mooizicht’ nu precies staat dan wel gestaan heeft. Oosteinde 82 doet vermoeden dat deze villa zich bevond tussen de Rembrandtlaan en Huize Vliet en Burgh, maar daar is een dergelijk pand niet meer aanwezig. Na nummer 74 volgt nu nummer 92. Ook is er geen directe verbinding meer met de Vliet, daar staat nu de Maartensschool. Waarschijnlijk is de villa op enig moment weer gesloopt, zelfs als deze op den mooisten stand stond. Toch jammer..
(De Avondpost)
 

Op 22 januari 1924 is het zover: de verbouwde tramlijn tussen Den Haag en Leiden wordt in gebruik genomen. Met horten en stoten, dat wel, want op het baanvak ‘s-Gravenhage via Voorburg naar Veur bleef de tram vooralsnog aangewezen op stoomtractie. Pas op een later moment werd ook dit baanvak geëlektrificeerd. Maar vanaf Veur kon men met de Blauwe Tram, met elektrische tractie, via Voorschoten naar Leiden reizen. Daarmee werden de reismogelijkheden van de Voorburgers belangrijk uitgebreid, zeker ook kwalitatief. Daar zal het zeker ook de opheffing van het veevervoer met die tram aan hebben bijgedragen. Kortom, ook Voorburg ging mee in de vaart der volkeren.
(Het Binnenhof)
 

Al eerder is in deze rubriek geschreven over de heer Carley. Joop Carley was vliegtuigbouwer, en had een fabriek daarvoor ingericht in Voorburg. Daar fabriceerde hij tal van lichte vliegtuigen. In 1923 probeerde hij een order van het Ministerie van Defensie binnen te halen, maar het ministerie koos uiteindelijk voor een ontwerp van Anthony Fokker. 
Maar Carley zat blijkbaar niet bij de pakken neer. Hij ontwierp een vliegfiets. Vanaf vliegveld Waalhaven verzorgde de Belgische piloot Raparlier op 16 december 1923 een demonstratie voor belangstellenden. Daaronder was ook Albert Plesman. Het woord vliegfiets is wat verwarrend, want voor de voorstuwing was wel degelijk een motor nodig. Pas bij de derde motor, een Anzanimotor, was Carley tevreden, en de vliegenier ook. Anzani was een Italiaanse motorontwerper, die sterk profiteerde van de opkomst van de luchtvaart in het begin van de 20e eeuw. Hij had fabrieken in Italië, Frankrijk en Engeland.
De tankinhoud was aanvankelijk aan de kleine kant. Daarmee konden geen grote tochten gemaakt worden. Om dat op te lossen bouwde Carley in zijn fabriek in Voorburg extra tanks in vleugels van de vliegfiets. Met deze grotere tanks kon hij nu naar Parijs vliegen. Daar wilde hij zijn toestel demonstreren voor Franse militairen, die op zoek waren naar een passend oefentoestel. Ook Engeland stond op het programma. Carley was optimistisch over de kansen en voorzag een mooie toekomst voor zijn toestel. Zeker in Frankrijk trok het vliegtuig veel aandacht, maar er volgde geen orders. Hierbij zal een rol hebben gespeeld dat Carley geen oog had, of in ieder geval te weinig, voor de kosten van zijn product. Het gevolg was dat hij ontslagen werd. Pander (van de meubelzaak) nam het ontwerp over. Tegenwoordig lijkt het onbegrijpelijk dat een meubelfabrikant zich bemoeit met vliegtuigbouw, maar in die tijd was het niet onlogisch. Toendertijd was hout vanwege het lage gewicht een belangrijk bouwmateriaal voor vliegtuigen, en meubelmakers hadden veel ervaring met het bewerken van hout en met houtconstructies. 
Uiteindelijk werden er slechts 7 toestellen van dit type gefabriceerd, en daarmee eindigde de loopbaan van Joop Carley als vliegtuigbouwer.

(Courant Nieuws van den dag)

Verslagen van de vergaderingen van de gemeenteraad zijn meestal geen sprankelende literatuur. Toch vallen er, als je een oud verslag terugleest, altijd wel een paar zaken op.
Zo was de stratennaamgevingscommissie, zo die al bestond, op het idee gekomen om de aan te leggen straten in Voorburg Noord te benoemen naar meisjesnamen en naar bloemennamen. Dat was even ‘creatief’ als wat de gemeente Den Haag in de jaren daarvoor ook bedacht had, in het Bezuidenhout en in de Bloemenbuurt. Dat moest wel tot verwarring leiden, en mede daarom is men uiteindelijk op andere namen uitgekomen.
Ook opmerkelijk is de observatie dat blijkbaar Zoetermeer toen niet groot genoeg was voor een openbare school, en dat de leerlingen daarvoor in Voorburg naar school moesten, toch al gauw 12 kilometer. En Zegwaard was nog 2 kilometer verderop. Voor de kinderen was dat toch een aanzienlijke afstand om te fietsen. Voor Voorburg was het van belang om een goede financiële regeling met beide gemeenten te treffen. Het zal dus niet om één of twee kinderen zijn gegaan.
Verder valt op dat de gemeente het initiatief nam om een bedrijfsterrein in te richten, in het verlengde van de Noorderburglaan. Daarmee wordt waarschijnlijk gedoeld op het bedrijfsgebouw in de Laan van Haagvliet, gelet op de verwijzing naar de nabijheid van biologische reiniging, dat aan de Einddorpstraat lag. 
En ook toen al waren er soms aanvullende kredieten nodig om een project te kunnen afronden, in dit geval de aanleg van trottoirs in de Herenstraat. Sommige bestuurlijke problemen blijven kennelijk altijd hetzelfde.

 (Avondpost)
 

Bij de recente verkiezingen voor de Provinciale staten haalde de piepjonge partij BBB ook in Voorburg een opvallend hoog aantal stemmen. Dat is des te opvallender omdat er nauwelijks nog boeren en tuinders in Voorburg wonen. 
Dat was vroeger wel anders. Uit bijgaande artikelen blijkt dat er in Voorburg van 11 tot 17 september 1923 een tentoonstelling werd gehouden voor handel, nijverheid, landbouw en veeteelt. Afgezien van de handel, zijn al die economische sectoren nagenoeg verdwenen uit Voorburg. De tentoonstelling vond plaats op een stuk drassig weiland, bij de Wijkerbrug. De initiatiefnemer, Voorburg’s Belang, kan de in het artikel genoemde moed en ondernemingslust zeker niet ontzegd worden. Wel leek de naamgeving niet helemaal passend bij de realiteit. De tentoonstelling was zeer bescheiden, en eerder een verkoopuitstalling van een paar bedrijven. Die bescheidenheid gold niet de kermis, die tegelijkertijd ook op dit terrein werd georganiseerd. De journalist komt woorden tekort om e.e.a. te beschrijven: zo is er eerder sprake van een Lunapark dan van een kermis, en ook de aanduiding “kolossaal voorzien” is niet in lijn met de eerder zo geprezen bescheidenheid. 
De conclusie luidt dat het op een mooie najaarsavond toen goed uit te houden was op deze tentoonstelling. Ook de transportvoorzieningen, dichtbij het station (halte) Leidschendam-Voorburg en de vele busjes, maakten een bezoek meer dan het overwegen waard. Kortom, waar nu in Voorburg “A Walk Down Town” wordt georganiseerd, daar ging men 100 jaar naar de Landbouwtentoonstelling.  Toen en nu staaltjes van ondernemingslust.

(Het Vaderland)
 

Dat het in Voorburg goed toeven is, zullen hopelijk vele Voorburgers beamen. Natuurlijk, het kan altijd beter, maar over het algemeen zijn de zaken hier goed geregeld, van woningen tot scholen, van winkels tot parken. Wel heeft Voorburg nauwelijks nog ‘echte, vrije, natuur’. De vooruitgang, meer inwoners, meer verkeer, meer infrastructuur, kent een hoge prijs. Stilte en schone lucht zijn schaarse goederen geworden. 
Bijgaand bericht, van een Amsterdammer nog wel, laat duidelijk uitkomen dat in ieder geval in 1923 een uitstapje naar Voorburg een mooie dagbesteding was. Een wandeling langs de Vliet was een waar genoegen. Wat betreft de suggestie om her en der een rustbank te installeren, daar lijkt ook na 100 jaar nog geen invulling aan te zijn gegeven, althans aan de niet-Voorburgse kant. Gelukkig zijn er rustbanken in Vreugd en Rust en bij de Oude Haven, maar aan de overkant, en de schrijver lijkt daarop te duiden, is er geen bankje te vinden. Toen niet, en nu ook niet. Of dat nu wel zal gebeuren, is de vraag. Nu Den Haag daar de scepter zwaait, is twijfel op zijn plaats. Een waterzuiverings-installatie of een bedrijventerrein verdient de voorkeur, als je de Haagse plannen mag geloven. Helaas….

(Het Vaderland)
 

In bijgaande advertentie wordt de buitenplaats Leeuwenbergh via een veiling te koop aangeboden. Buitenplaats Leeuwenbergh kent een lange geschiedenis en was rond 1640 gesticht. In 1880 is de bestaande villa gebouwd, met twee verdiepingen. In 1927 werd er een rust- en herstellingsoord in gevestigd. Dit gebeurde om uitvoering te geven aan het testament van Maria Emalia Dorrepaal die op 9 maart 1924 was overleden. Maria Dorrepaal  was in 1845 in Semarang, Nederlands Indië, geboren. Die herkomst zal zeker van invloed zijn geweest op haar testament, waarin een legaat werd bestemd voor de oprichting en instandhouding van een herstellingsoord, bedoeld voor dames die terugkeerden uit de overzeese gebiedsdelen van het Koninkrijk. Met dat geld werd een deel van de in de advertentie beschreven buitenplaats Leeuwenbergh gekocht: het huis, park, vijvers, moestuin en boomgaard. Na aankoop is de villa met een extra verdieping uitgebouwd. Op een ander deel van het terrein is villapark Leeuwenbergh gevestigd. Het gehele  complex viel op dat moment onder de gemeente Stompwijk.

Op 9 maart 1927 werd het herstellingsoord, wat plaats bood aan 10 à 12 gasten voor maximaal 8 maanden, geopend en bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog weer gesloten. De villa heeft op enig moment de naam Dorrepaal gekregen, een naam die de villa tot op de huidige dag draagt. De villa is nationaal bekend geworden vanwege de gevechten om Ypenburg in mei 1940. Nederlandse troepen onder aanvoering van George Maduro voerden vanaf de Oude Tolbrug een gewaagde aanval uit op Duitse parachutisten, die zich in de villa verschanst hadden. De Duitsers werden verjaagd, waardoor de brug weer  door Nederlandse troepen gebruikt kon worden om Ypenburg te heroveren.

Ook 100 jaar geleden kwamen er inbraken voor. In bijgaande twee artikelen wordt gewag gemaakt van een inbraak in de Laan van Heldenburg. In het eerste artikel (waarschijnlijk van het ANP, hier in een artikel in de Avondpost) vindt de inbraak plaats tussen 9 en 10 uur in de avond, terwijl de inwoners, althans de ouders afwezig waren. Wel was er een 8-jarig meisje thuis die de inbreker blijkbaar de plaats van het geld aanwees. De inbreker heeft zich 500 gulden toegeëigend, alsmede een paar effecten. Die 500 gulden toen zou nu ruim 4200 euro waard geweest zijn.

Het tweede bericht (uit de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant) over dezelfde inbraak is net anders. Daar vond de inbraak plaats tussen 8 en 10 uur s’avonds, en waren er twee kinderen, die  al te bed lagen. De inbreker vroeg de oudste of pappa gauw thuiskwam (waarom niet mamma?)  en waar het geld lag. Dat laatste wist ze niet. Dat geld heeft hij toch gevonden na het doorzoeken van de kasten, en nu was het geen 500 maar 650 gulden (toch 1000 euro meer nu). De ‘hoffelijke’ inbreker bedankte haar vriendelijk, heeft haar een hand gegeven en een goede nacht gewenst. Die houding tref je bij de inbrekers in onze tijd niet altijd meer aan.

Ook 100 jaar geleden bestonden sommige middenstandszaken al vele jaren. Hier gaat het om een kruidenierszaak, de Bruin, die in 1848 was gestart in de Kerkstraat, en in 1870 verhuisde naar de Heerenstraat hoek Kerkstraat, nummer 70. Daar zat men al 53 jaar, toen het 75-jarig jubileum gevierd kon worden. De heer de Bruin was actief in de Kruideniersvereniging ’s Gravenhage en Omstreken, en ook lid van het Hoofdbestuur van de Nederlandsche Kruideniersbond.

Maar daarna was het snel afgelopen. Wellicht kwam de heer de Bruijn te overleden. In ieder geval woonde volgens het adresboek Voorburg 1927 op dit adres de heer F.J. Schmal, schoenmaker. Vanaf dat moment, tot nu toe, hebben hier altijd schoenmakers gezeten.

Ook 100 jaar geleden werd, blijkens bijgaand krantenbericht, de Internationale Vrouwendag gevierd. Dat was toen 15 jaar na een massale staking op 8 maart 1908 in New York van vrouwen die werkzaam waren in de textielindustrie in New York. Een paar jaar later was het Clara Zetkin, een Duitse socialiste/communiste, die deze dag uitriep tot Internationale Vrouwendag. Daarna was er ook in Nederland wel aandacht voor dit initiatief, maar vanwege het socialistische dan wel communistische aureool dat aan deze dag kleefde, bleef het lang een dag die slechts door een kleine groep gevierd werd. Pas in 1978 nam de Verenigde Naties dit initiatief over. In Nederland hadden rond 1970 actiegroepen als Dolle Mina en Bonte Was al voor meer aandacht voor de Internationale Vrouwendag gezorgd.

Maar al in 1923 vond ook in Voorburg een vergadering plaats voor de viering van deze dag. Daar werd het socialistische karakter van deze dag duidelijk niet onder stoelen of banken gestoken. Met leuzen als ‘Tegen de reactie’,  ‘Tegen de oorlog’, en ‘Voor het socialisme’ liet men geen onduidelijkheid bestaan waar de organisatoren voor stonden. Het internationale karakter valt ook af te leiden uit het protest tegen de Roerbezetting (Frankrijk en België hadden in 1923 het Roergebied bezet om de in het verdrag van Versailles afgesproken herstelbetalingen alsnog te kunnen incasseren).

Al vele jaren vormt het park Vreugd en Rust een van de groene longen van Voorburg. Voor wandelaars (en hondenbezitters) is dit park een prachtige plek om te vertoeven. De Historische Vereniging Voorburg heeft een paar jaar terug een prachtig boek daarover uitgebracht: zie Historisch Voorburg jaargang 26 2020 nummer 1, ‘Vreugd en Rust, Gastvrije buitenplaats met een park van Zocher’.

Zeker nu het park weer opgeknapt wordt en in oude staat wordt hersteld, met dank aan de betrokkenheid van Mooi Voorburg, is dit park een bezoek zeker waard.

In dat park ligt het huis Vreugd en Rust, vroeger een woonhuis, sinds 1917 een theeschenkerij en restaurant. Blijkbaar liepen de zaken aanvankelijk minder goed, gelet op de veiling van het restaurant en haar inboedel in februari 1923. Vanaf 1938 was er een Montessorischool in het gebouw gevestigd, en vanaf 1989 heeft het gebouw weer een restaurantbestemming gekregen.

Als het gaat om stakingen, is de eerste gedachte dat het wel om sociale onrust in de Rotterdamse haven of bij bedrijven in de grote steden zal gaan. Recentelijk worden ook publieke diensten met stakingen  geconfronteerd. Maar Voorburg wordt bij mijn weten in dit verband eigenlijk zelden of nooit genoemd. Er zijn hier geen grote bedrijven, en de Voorburgers zelf lijken ook minder opstandig.

Onderstaand bericht bevestigt dat beeld. Blijkbaar waren de werknemers van drukkerij Ruis eerst wel in staking gegaan, maar gingen zij snel akkoord met de nieuwe afspraken tussen werkgevers en werknemers. De vakbond van typografen, de A.N.T.B., ging vooralsnog niet akkoord, en raadde haar leden af deze afspraken te accepteren. Maar blijkbaar gingen de Voorburgse werknemers wel akkoord, evenals hun collega’s in Den Haag. Overigens was de ANTB de oudste Nederlandse vakbond, opgericht in 1866.

Soms moet je een beetje smokkelen. Normaal gesproken wordt in deze rubriek gewag gemaakt van een gebeurtenis uit dezelfde maand van 100 jaar geleden. In dit geval gaat het echter over een gebeurtenis in september 1872, maar waarover gepubliceerd werd in oktober 1922. De publicatie datum is het excuuus om het hier toch op te nemen.

In dat artikel, van de hand van C. van der Pol, wordt beschreven hoe Karl Marx, samen met Friedrich Engels en Paul Lafargue, deelnam aan het vijfde congres van de Eerste Internationale in Den Haag. De genoemde heren hadden toen al een duidelijke reputatie: ze waren geliefd in socialistische kringen, maar gevreesd of zelfs gehaat bij het grootkapitaal en de gegoede burgerij. Na afloop van die conferentie brachten de heren per jaagschuit ook een kort bezoek aan Voorburg. Onbekend is wat ze hier bezocht hebben, daarover vertelt het artikel verder niets. Het is overigens erg onwaarschijnlijk dat deze heren bij die gelegenheid een beleefdheidsbezoekje hebben afgelegd bij Prinses Marianne - in die tijd de bekendste inwoonster van Voorburg. In de 19e eeuw was standsverschil bepalend voor wie met wie kon omgaan, en zelfs de weinig conventionele Prinses Marianne zal niet zo maar deze drie heren voor een kopje thee hebben uitgenodigd.

Van oudsher wordt in de protestantse kerk op het scherpst van de snede gedebatteerd. Niet voor niets staan in sommige plaatsen tal van verschillende protestantse kerken, waarbij het voor een buitenstaander vaak niet eenvoudig is om aan te geven wat nu precies het verschil is.

Op 27 september 1922 overleed Pieter Johannes Muller in Voorburg. Professor Muller was in 1854 in Den Haag geboren, en had van 1872 tot 1877 theologie gestudeerd aan de Universiteit Groningen. Zijn proefschrift handelde over “De Godsleer van Calvijn uit religieus oogpunt beschouwd en gewaardeerd”. Achtereenvolgens was hij predikant in Steenwijkerwold, Wolsum, Nijmegen, Rotterdam, Amsterdam, Haarlem, en Pretoria. Deels ging het om promoties, maar er waren ook soms harde confrontaties. Dat gold vooral zijn benoeming tot hoogleraar aan de Gemeente Universiteit van Amsterdam. Zijn leeropdracht was dogmatiek, de geschiedenis van de Nederlands Hervormde Kerk en haar leerstellingen en zendingsgeschiedenis. Een brede leeropdracht, die hij aanvaarde met een oratie met als titel “Denken en dichten – een woord over leerstellige godgeleerdheid”.

1922 september muller_1.jpg

Je hoort vaak dat het ook in de media van kwaad tot erger gaat, met veel aandacht voor ongelukken, die tot op het bot uitgeplozen worden, en waar ook de persoonlijke noot niet mag ontbreken. Wat ging er door u heen, toen u dat ongeluk zag gebeuren, dat soort vragen mogen blijkbaar in een ‘gedegen’ artikel niet ontbreken. En dan kun je soms ook lezen dat het vroeger toch beter was.

Bijgaand artikel laat zien dat men ook in augustus 1922 op deze manier goed kon uitpakken. Het artikel leest bijna als een filmscript. Als het paard van de melkboer op hol slaat, bevindt zich alleen een kleuter van 7 op de bok. Die valt er al snel af. Het paard draaft ferm door, eerst op de Schenkweg, die liep langs het spoor en langs het station Staatsspoor, daarna op de Bezuidenhoutseweg. Twee groentenwagens werden omver gereden, maar het paard ging onverdroten door. Het trok blijkbaar zo hard dat de lemoen, het tuig waarmee het paard aan de wagen vastzat, losraakte en het paard zonder wagen doorrende. Een fietser werd ondersteboven gereden, maar nog altijd zat de vaart er goed in. Wanhopig probeerden omstanders, maar ook een melkverkoper met een kar het paard tegen te houden, maar dat mislukte. Eerst een tweetal kolenrijders lukte het, met hun vossen, het paard in te halen en tot staan te brengen. Daarna kon het paard weer naar de eigenaar teruggebracht worden.

De melkboer was de heer Kok uit Voorburg. Zijn zaak was in de de Johan van Hoornstraat in Bezuidenhout. Hij zal vast rustiger dagen beleefd hebben dan deze woensdag 16 augustus om kwart over negen ‘s ochtends.

Je kunt veel van Voorburg zeggen, maar niet dat het een plaats was/is met veel industrie. Één van de weinige uitzonderingen was de ENKES, de Eerste Nederlandse Kogellagers En Schroevenfabriek. En die fabriek stond eigenlijk niet eens in Voorburg, maar in Leidschendam, net over de Kerkbrug aan de Westvlietweg.

De ENKES was in 1912 opgericht. Zij leverde onderdelen aan Van Berkel’s Patent, een onderneming die vleessnijmachines en weegschalen. Deze onderneming zat in Rotterdam. Dat verklaart ook de aanwezigheid van P.J. van Ommeren, een bekende naam in de Rotterdamse haven, als commissaris bij de ENKES. Maar vanwege de Eerste Wereldoorlog, waarin Nederland min of meer afgesneden raakte van Engelse en Duitse leveranciers, paste de ENKES haar productenpakket aan. Zo fabriceerde men nu auto-onderdelen en allerlei gereedschapswerktuigen, zoals draaibanken. Vanaf 1918 nam de diversificatie verder toe, met wisselend succes. Dat de ENKES in 1921 een verlies draaide, zal naar alle waarschijnlijkheid terug te voeren zijn op het moeizame herstel van de internationale handel, zeker met Duitsland. De geallieerden hadden in Versailles afgesproken om de economische macht van Duitsland te breken, met handelsbeperkingen, ontmanteling van bedrijven en met forse lasten die Duitsland aan de geallieerden moest betalen. Daarenboven zorgde de toen snel oplopende inflatie in Duitsland voor nog meer onzekerheid. Maar blijkbaar verwachtte de ENKES dat in 1922 de ergste zorgen achter de rug waren.

De ENKES heeft tot 1975 bestaan, met gunstige jaren, aan het eind van de jaren ’20, vanaf 1937 toen Nederland zich ging herbewapenen, en in de jaren ’60. Maar de economische crisis van de jaren ’30 raakte het bedrijf hard. In 1944 ontmantelde de Duitsers het bedrijf en werden veel machines naar Duitsland afgevoerd. Het bedrijf telde eind jaren ’50 meer dan 300 arbeidsplaatsen. Maar in 1975 moest het bedrijf sluiten, met 200 mensen die toen hun baan kwijt raakten.

In juni 1922 hield de afdeling Voorburg van de Vrijheidsbond, in de Tweede Kamer bekend als de Liberale Staatspartij, een openbare vergadering. De Vrijheidsbond was in 1921 ontstaan, voortgekomen uit een fusie van een  aantal liberale partijen, de Liberale Unie (opgericht in 1885, gematigd progressief), de Bond van Vrije Liberalen (opgericht in 1906,  sterk geporteerd voor economisch liberalisme) en enkele kleine liberale partijen. Zij kwam in 1921 in de Tweede Kamer, in 1922 ook in de Eerste Kamer.

Deze bijeenkomst in Voorburg was duidelijke gericht op de aanstaande Eerste Kamerverkiezingen, die plaatsvonden op 22 juni 1922. Die, tussentijdse, verkiezingen waren nodig vanwege de Grondwetsherziening van 1919, waarbij vrouwen actief kiesrecht kregen en waarbij de leden van de Eerste Kamer niet meer volgens het provinciale districtenstelsel werden verkozen. De partijen die samengingen in de Vrijheidsbond hadden een aanzienlijke afvaardiging in de Eerste Kamer, 11 zetels op een totaal van 50.  De Vrijheidsbond probeerde met openbare vergaderingen voldoende kiezers enthousiast te maken voor haar standpunten. Vandaar de aandacht voor het Parlement en hoe vrouwen, de nieuwe kiezers, zo goed mogelijk te bereiken. Helaas was het resultaat voor de Vrijheidsbond bedroevend. De verkiezingen leverde de partij slechts één zetel op.

Wellicht had dit slechte resultaat te maken met het ambigue partijprogramma. Waar men in economisch opzicht vooral conservatief was, daar was men op immateriële punten vaak veel progressiever, bijvoorbeeld bij de huwelijkswetgeving en de rechten van de vrouw. De Vrijheidsbond werd als een deftige, burgerlijke partij beschouwd. Een vooraanstaand lid was Benjamin Telders, die zich in de Tweede Wereldoorlog principieel verzette tegen Duitse maatregelen, het opnam voor Cleveringa na diens toespraak, en uiteindelijk in concentratiekamp Bergen-Belsen overleed.

Vorig jaar september 2021 werd weer duidelijk wat een magische aantrekkingskracht snelle auto’s hebben op velen. Natuurlijk, Max Verstappen fungeerde als extra magneet, maar ook zonder Max had een GP op Zandvoort de aandacht getrokken. Ook in het verleden was er veel  belangstelling voor mooie en snelle auto’s. In april 1922 vond de Haagsche Autoshow plaats, met wel 3000 toeschouwers. Het programma was gemêleerd, naast presentaties van (toen) bekende automerken zoals Lancra’s, Delage’s, Horch’s en Hansa Lloyds, en van leuke, kleine auto’s als de Benjamin, was ook de KLM aanwezig en de Haagse verkeerspolitie. De show was beslist een succes en men zou wensen, zoals wethouder Fortuin, dat de Show voortaan jaarlijks zou worden georganiseerd.

In Voorburg heeft een aantal bekende architecten gewoond, zoals Herman van der Kloot Meyburgh, Rein Fledderus en Jan Wils. Die verwijzing naar Voorburg is ook in bijgaand krantenknipsel te lezen, maar een Voorburgs adres voor Jan Wils is er niet in terug te vinden. Wel is bekend dat Jan Wils tot 1937 op de Westvlietweg 134 gewoond heeft, dat toen tot de gemeente Stompwijk behoorde. Gelet op de nabijheid van Voorburg is de verwijzing in het krantenartikel naar Voorburg niet onbegrijpelijk.

Jan Wils, geboren in 1891 en  overleden in 1972, was een vooraanstaand en productief architect. Hij werd het meest bekend als architect van het Olympisch Stadion in Amsterdam, gebouwd voor de Olympische Spelen van 1928. Wils heeft ook tal van projecten in Voorburg gerealiseerd, zoals woningen in de Sophiastraat en aan de Koningin Wilhelminalaan (voor de oorlog), woningen en winkels aan de Koningin Julianalaan (na de oorlog), maar ook het tennispark Leeuwenbergh, en als laatste project in zijn loopbaan verpleeghuis Prinsenhof in Leidschendam. Hij was ook voorzitter van de Voorburgse Kunstkring (opgeheven in 1939).

Buiten Voorburg heeft hij, na zijn start in Amsterdam, vooral woningen ontworpen in Den Haag en Rotterdam. Daarbij liet hij zich sterk leiden door de behoefte aan goede en betaalbare woningen. Deze socialistische oriëntatie had hij gemeen met Berlage, met wie hij ook samenwerkte bij tal van Haagse projecten. In de jaren ’10 en ’20 raakte hij ook onder invloed van de Amerikaanse architect Frank Lloyd Wright. Hij heeft tal van bedrijfspanden ontworpen, zoals de Citroengarage en het Citytheater in Amsterdam en het kantoorgebouw van de Centrale Onderlinge Bedrijfsvereniging voor Ziekteverzekering in Den Haag. Ook in Rotterdam was hij kort voor de Tweede Wereldoorlog actief. Hij maakte schetsen hoe het terrein van de oude Diergaarde, aan de noordkant van het Oude Westen, heringericht zou moeten worden. Door het bombardement op Rotterdam ontstonden nieuwe vragen, en op tal van plaatsen heeft hij bijdragen geleverd aan ontwerpen voor nieuwbouw, zoals aan de Schiedamse Vest en aan de Goudsesingel.

Wils had een brede interesse. Zo was hij (kort) betrokken bij De Stijl, bij de Nieuwe Haagse School, bij de Haagse Kunstkring. Hij gaf ook sportlessen, zat in tal van nationale en internationale besturen, en was in de jaren ’20 en ’30 zeer nauw betrokken bij de Vrijmetselarij. Hij had goede contacten met binnenhuisarchitecten in binnen- en buitenland. Kortom, een sociaal bewogen, zeer actieve architect, met een brede belangstelling. De in het artikel vermelde toetreding tot het bestuur van de B.N.A. kan als een logische stap in zijn ontwikkeling als architect beschouwd worden.

Soms lees je wel eens een artikel over iemand waarvan zijn/haar huis nog in originele staat bewaard is gebleven. Dan gaat het bijvoorbeeld om een jaren ’50 huis, met Bruynzeel keukens, Eames stoelen, behang met bloemen, Perzische tapijten met veel kleuren, Philips radio’s (met radiozenders als Beromünster) en draadomroep, en niet te vergeten de Tomado boekenrekken, met zijn frisse kleuren.  

Voor eerdere periodes zijn er foto’s, maar ook zogenaamde poppenhuizen, die een (verkleind) beeld geven van de inrichting van woonhuizen in vroegere tijden. Zo heeft het Rijksmuseum drie van dergelijke poppenhuizen. Het bekendste is van Petronella Oortman, met een woninginrichting uit de 17e eeuw. Alles was op schaal nagemaakt, zo’n poppenhuis was even kostbaar als een echt grachtenpand. In het Haags Historisch Museum is ook een dergelijk poppenhuis te vinden. Dit exemplaar geeft de inrichting weer van een gegoede familie omstreeks 1910. Lita de Ranitz herstelde daarmee een eeuwenoude, kostbare traditie. Alles moest op schaal gemaakt worden. Het bijzondere aan dit huis waren de moderne voorzieningen, van elektrisch licht tot ligbad, van telefoon tot centrale verwarming. Als klap op de vuurpijl was mevrouw de Ranitz erin geslaagd om befaamde schilders als Toorop, Mauve en Jongkind ertoe te brengen om voor dit poppenhuis passende schilderijen te vervaardigen. Dit poppenhuis alleen al maakt een bezoek aan het Haags Historisch Museum de moeite waard.

Voor Voorburg moeten we het doen met bijgaande advertentie, waarin een complete woninginrichting ter veiling werd aangeboden. De buitenplaats, genaamd ‘Molenwijk’, bevond zich aan de Achterweg 10 (nu Parkweg 7), naast de molen van Baas, die in 1916 werd afgebroken. De buitenplaats was in het begin van de 20e eeuw in slechte staat. Het is dan ook geen verrassing dat deze gesloopt is, kort na 1916, en dat op die plaats architect van der Kloot Meijburg een nieuw door hemzelf ontworpen dubbel woonhuis met kantoor liet bouwen, een huis dat nu bekend staat als de Burcht.

De ‘zeer deftige inboedel’ van de oude buitenplaats wordt uitgebreid weergegeven in bijgaande advertentie. Alles lijkt aanwezig, voor woonkamer, hal, keuken, badkamer, slaapkamers, serre en tuin, met o.a. een Empire salon-ameublement, ‘bureau de ministre’, haarden, schilderijen en brandkasten (meervoud). Het zal aangenaam toeven zijn geweest in ‘Molenwijk’, maar voor het schoonhouden van al dat moois is vast ook aardig wat personeel nodig geweest.

 

In de jaren ’20 was het nog normaal om inwonende huishoudelijke hulp te hebben. Dienstbodes en tuinlieden waren gevraagd, en toen nog betaalbaar - althans voor de ‘betere standen’. Denk in dit verband aan de vele dienstbodes uit Duitsland en Oostenrijk, die in die jaren hun heil zochten in het relatief rijke Nederland.

In dit geval zocht een gezin een echtpaar zonder kinderen, die zowel binnen als buiten het huis actief zouden kunnen zijn. Er waren tal van aanvullende eisen, vaak bekende, zoals goed kunnende koken, vertrouwd met tuinierswerk en met het onderhoud van auto’s, maar ook vrij opvallende, zoals die ‘van Friese afkomst’. Wellicht kwam het gezin uit Friesland, wellicht hadden Friezen een betrouwbare reputatie, dat valt niet meer na te gaan. Evenmin of er uiteindelijk een dergelijk echtpaar gesolliciteerd heeft en aangenomen is. De adresaanduiding is beknopt, wel de naam van de villa, maar niet het huisnummer. De Voorburgse postbode werd kennelijk geacht alle huisnummers van ‘mensen op stand’ te weten.

Overigens blijkt uit een andere advertentie uit 1920 dat het om Oosteinde 70 ging. In die advertentie uit 1920 werd om ‘een beschaafd meisje’ gevraagd voor een zeer vergelijkbaar takenpakket. Helaas blijkt nergens uit waarom er al na twee jaar weer een vrijwel identieke vacature was in Villa ‘Labor Vincit’. Is de eerste dienstbode wegens slechte werkomstandigheden weggelopen? Kon ze elders meer verdienen? Ging ze trouwen? We kunnen er alleen maar naar raden. Daarnaast, het vrijstaande huis waarin het gezin toen woonde is kort daarop gesloopt, in 1932 kwam daar een rijtje van 4 huizen voor terug, Oosteinde 68-74, huizen die nu ook al weer 90 jaar oud zijn.

100 Jaar terug haalde Voorburg de internationale pers, al was het dan wel in Nederlands-Indië. Op uiterst gedetailleerde wijze werd in de Sumatra Post van 3 januari 1922 verslag gedaan van een treinongeluk op het nu niet meer bestaande baanvak naar Scheveningen. De rails waren glibberig, dat fenomeen was dus ook toen al een probleem voor de spoorwegen. De machinist van de trein, vertrokken van HS naar Scheveningen, zag weliswaar een sein op onveilig, maar kon de trein niet snel genoeg tot stilstand te brengen. Tegelijk was de machinist van de trein van Scheveningen naar Rotterdam Hofplein evenmin in staat om zijn trein nog tijdig af te remmen. De onvermijdelijke botsing resulteerde in het omgeslaan van de locomotief, van de trein uit Scheveningen, en een verbrijzeld bagagerijtuig. Gelukkig waren er  geen gewonden (of erger) onder de passagiers.

Met die uitkomst zou je verwachten dat een kort bericht volstaan zou hebben. Maar óf de honger naar Nederlands nieuws was in Indië zo groot dat de Sumatra Post een dergelijk omvangrijk artikel opnam in haar editie, óf er was zo weinig nieuws te melden dat men bij de Post van arremoede dit Voorburgse nieuws zoveel aandacht kon geven. Wat de verklaring ook is, ook op Sumatra was men dus nauwkeurig op de hoogte van dit Voorburgse drama.

Sommige thema’s komen in deze rubriek voortdurend terug, en één daarvan zijn de herhaalde annexatiepogingen van de gemeente Den Haag. Steeds weer stuitte de gemeente Den Haag op een gebrek aan grond om de groeiende bevolking voldoende ruimte te geven om te wonen, te werken en te ontspannen. Steeds weer werd geprobeerd dit op te lossen door grondgebied van omliggende gemeentes over te nemen. Heel recent is de discussie over het hergebruik van de grond waarop het ANWB hoofdkwartier staat. Den Haag zou ook daar graag woningbouw plegen. Ook al ligt het relatief dicht tegen het Haagse centrum aan, het is wel Wassenaars grondgebied. Bewoners van omliggende, Haagse(!) wijken gebruiken deze omstandigheid als argument om de bestaande gemeentegrenzen te handhaven, in de hoop dat Wassenaar daar geen grootschalige woningbouw zal accepteren.

Ook 100 jaar terug, in het najaar van 1921, was er al annexatiegedoe, maar toen tussen Den Haag en Voorburg. Den Haag had zijn oog laten vallen op het nog grotendeels ongebouwde gebied tussen de Broeksloot, de spoorlijn Den Haag-Gouda en de spoorlijn Den Haag-Leiden. Daarmee zou dit mooi aansluiten op het al eerder geannexeerde gebied van de Binckhorstpolder, aan de westelijke kant van de spoorlijn Den Haag-Gouda. Dat gebied werd al in 1907 van Voorburg overgeheveld naar Den Haag. In het nieuwe voorstel, van 1921, zou Voorburg, als het zou blijven bestaan, alleen nog maar de smalle strook tussen Vliet en Broeksloot omvatten. Met die omvang was Voorburg niet levensvatbaar meer. Vandaar dat B&W van Voorburg zich fel tegen dit nieuwe voorstel uitsprak. Het college merkte op dat Voorburg-Noord, zoals we dat nu noemen, volop in ontwikkeling was, met veel nieuwbouw en ook met openbaar vervoer (de Blauwe tram die in 1923 zou gaan rijden), waardoor de verbinding tussen Den Haag en Voorburg verder verbeterd zou worden. In enigszins larmoyant taalgebruik weergegeven, zou Voorburg een stiefkind worden van Den Haag, een wijkplaats voor allerlei ongerechtigheden die men in Den Haag niet bemerkt of wil bemerken. Dat is nog steeds niet echt veranderd. Het is het nog maar kort geleden dat we ‘verblijd’ werden met de plaatsing van een forse windturbine. Die staat, ver weg van de woonwijken van Den Haag, wel pal naast een woonwijk van en nagenoeg op de grens met Leidschendam-Voorburg ...

Acties van bedrijven om de aandacht van de consument te trekken zijn van alle tijden. Wie herinnert zich niet de vrijdagkoopjes van V&D, de PCM acties van Albert Heijn, het snoepje van de week van de Gruyter en er zijn er nog veel meer te noemen. Zegeltjes waren daarbij vaak een belangrijk hulpmiddel, het bond de klant aan een bedrijf en zorgde er voor dat klanten terugkwamen. Veel klanten waren zeer te spreken over dit soort acties. Eindelijk kwamen zo artikelen als wasmachine of koelkast binnen bereik, eindelijk werd in die naoorlogse tijd de welvaartsverbetering zichtbaar. Mensen zullen daar zeker dankbaar voor zijn geweest, maar zo dankbaar als in bijgaande advertentie was toch een zeldzaamheid. Hierin liet een bewoner van de Kerkstraat in Voorburg in een ronkende volzin weten hoe een cadeau vanwege een bon bij de aankoop van een stuk Sultanezeep gewaardeerd was.

Echter, in tal van andere kranten verschenen in die jaren sterk overeenkomstige advertenties als onderstaand, van gelukkige winnaars wonend in Leiden, Amsterdam en Zierikzee. Dat wekt de indruk dat de fabrikant op deze wijze haar reputatie verder probeerde op te vijzelen. Niets op tegen, maar wel op het randje.  Programma’s als Kassa of Radar zouden hier zeker melding van hebben gemaakt, en dan was het geen positieve reclame meer.

Bron: Haagsche Courant, 26-11-1921

We leven in spannende tijden. Vooral door de coronacrisis is het mondiale logistieke proces duidelijk in het ongerede geraakt. Waren het eerst de tuinstoelen die niet aankwamen, nu zijn er te weinig computer chips, nodig voor zowat alles, en ook schaarstes bij een hele rij van grondstoffen. Er is een tekort aan lege containers in de ene haven en tegelijk een overvloed aan volle containers in de andere. Gevolg: schaarste op tal van markten en stijgende prijzen. En waarschuwingen in de media dat Sinterklaas wellicht niet alle in de verlanglijstjes vermelde cadeautjes op tijd zal kunnen afleveren bij al die lieve kinderen die nog vast in de Goedheiligman geloven.

In 1921 was de economische situatie ook erg lastig, zo kort na de Eerste Wereldoorlog. Maar daar stond tegenover dat de aanvoer van producten van overzee relatief beperkt was, en er vooral Nederlands fabricaat aangeboden werd. Vanaf 1914 waren het magere jaren geweest, ook al had Nederland niet meegevochten, was de economische impact enorm geweest. En zeker in 1917 en 1918 was er sprake van een aanzienlijke verarming en van een schrijnend tekort aan voedingswaren.

Na de oorlog kwam de wereldeconomie weer moeizaam op gang, zeker ook in Duitsland. In 1921 moest de dramatische hyperinflatie daar nog komen en duurde de crisis in ieder geval tot eind 1923. Maar in Nederland ontstond in 1921 blijkbaar toch weer wat ruimte om Sinterklaas op gepaste wijze te vieren. Natuurlijk, het aanbod was beperkt, maar toch kon V&D, toen nog een vooraanstaand grootwinkelbedrijf, al in oktober bijgaande advertentie plaatsen om haar klanten tal van ideeën aan de hand te doen wat men voor Sinterklaas zou kunnen kopen. Het aanbod was beperkt maar divers genoeg voor de verschillende doelgroepen. Voorburgse hulp-Sinterklazen konden dus bij de V&D aan het Spui in Den Haag terecht om de verschillende wensenlijstjes af te vinken.

Overigens valt wel op dat Zwarte Piet niet in de advertentie voorkomt. V&D was op dit punt haar tijd ver vooruit….

1921_oktober.jpg

Tegenwoordig is het voor veel scholen lastig om personeel te vinden. De minister heeft het budget voor scholen fors verhoogd, met als resultaat dat scholen tegen elkaar opbieden in arbeidsvoorwaarden. Soms wordt er gemeld dat er woonruimte beschikbaar is. Ook vroeger werden dergelijke lokkertjes ingezet om nieuwe leerkrachten te werven. Zo lezen we in deze advertentie voor een Hoofd voor de Van Wassenaer Hoffmanschool, een lagere school der Nederlands Hervormde Gemeente met ruim 180 leerlingen. Deze school lag achter de Herenstraat, aan de Parkweg. Het schoolgebouw staat er nog, maar de school is uiteindelijk opgeheven.

Geen idee hoe gespannen de arbeidsmarkt toen was, maar net als nu wordt een mooie woning aangeboden als lokkertje voor de kandidaten. Tegenwoordig worden dergelijke argumenten opnieuw in stelling gebracht, nu vooral vanwege de sterk gestegen huurprijzen en het navenant schaarse aanbod. Alhoewel de advertentie niet duidelijk is over het gewenst geslacht van de kandidaat, mogen we er wel vanuit gaan dat het om een man ging. De potentiële doelgroep werd nog verder ingeperkt doordat alleen Nederlands Hervormde kandidaten, beslist van gereformeerde beginselen, acceptabel waren. Natuurlijk moest men goed opgeleid zijn, diploma’s of bijakten strekten tot aanbeveling, evenals ervaring als schoolhoofd. Het salaris was niet slecht. Ervan uitgaande dat met fl. 50,- een weekinkomen bedoeld wordt, dan lag dat beduidend hoger dan het gemiddelde weekinkomen in dat jaar in Nederland. Dat bedroeg namelijk 24 gulden. We gaan er maar vanuit dat de Van Wassenaer Hoffmanschool een uitstekend Hoofd heeft weten te vinden.

Juist nu het kabinet bekend gemaakt heeft dat vanwege de Corona-pandemie grote festivals dit jaar (2021) helaas niet door mogen gaan, trok dit bericht van 100 jaar geleden de aandacht.

De bekende Haagsche dansschool Constandse organiseerde voor haar leerlingen en voor introducé’s een groots tuinfeest in Hotel “De Wijckerbrug” in Voorburg. Voorburg had met “De Wijckerbrug” een belangrijke uitgaansgelegenheid. Dit hotel lag naast de Wijkerbrug, waar zich nu de Maartens Basisschool bevindt. Waarschijnlijk had de heer Constandse op dat moment zelf onvoldoende ruimte voor een feest voor alle leerlingen. Na een paar maal van het Hofwijckplein (nabij het Rijswijkseplein) uitgeweken te zijn naar andere ruimtes in Den Haag, werd nu de sprong gewaagd naar Voorburg.

Waarschijnlijk was ook dit eenmalig. Vanaf 1923 betrok dansschool Constandse een nieuwe locatie aan de Toussaintkade 16 in Den Haag, waar ze gevestigd bleef tot 1993. Tot in de jaren ’70 was Constandse in de regio Den Haag een fameuze dansschool, en veel oudere lezers uit Den Haag en Voorburg kennen zonder twijfel deze naam. Constandse ging soepel om met de verzuiling in die tijd. Zo waren er speciale danslessen voor de katholieke jeugd, die ‘natuurlijk niet om mocht gaan met ongelovigen of protestantse danslustigen’. ‘Gelukkig’ waren in Den Haag voor nagenoeg alle geloofsrichtingen passende dansscholen beschikbaar. Maar het blijven vasthouden aan de traditionele dansmuziek en omgangsvormen betekende ook voor deze dansschool het einde.

Tenslotte, ook al zou Lowlands dit jaar wel zijn doorgegaan, er zou aan de deelnemers vast geen souper zijn aangeboden. Gezien de tegenwoordig gebruikelijke beschikbaarheid van ‘geestverruimende’ middelen bij dit soort festivals, zou het aanbieden van een souper eigenlijk ‘mosterd na de maaltijd’ zijn geweest.   

Honderd jaar geleden was het in gegoede kringen heel gewoon om inwonend huispersoneel te hebben. Rond 1920 waren ruim tweehonderdduizend meisjes en vrouwen [1] werkzaam in de huishouding. Een groot deel van de vrouwelijke beroepsbevolking van Nederland werkte dus in andermans huishouding. In de toenmalige standenmaatschappij waren de rolpatronen voor vrouwen vrij standaard. Als vrouw van stand – al dan niet gehuwd – had je huispersoneel en hoefde je niet bezig te houden met zo iets ordinairs als het huis schoon te maken, laat staan zelf de was te doen. Was je als meisje daarentegen ‘voor een dubbeltje geboren ’ dan was na de lagere school de kost verdienen in een ‘dienstje’ het normale vooruitzicht.

In dorpen op het platteland was het vrij gebruikelijk dat een baantje als dienstbode via ouders of bekenden geregeld werd. In de steden daarentegen was het adverteren van een vacature meer gebruikelijk. Zo staat in ‘De Graafschap-bode’ van 28 juni 1921 een advertentie van ‘Mevr. SCHOTEL, Villa Sparwoude te Voorburg’ [2] waarin gevraagd wordt om ‘een flinke Dienstbode, zelfstandig kunnende werken’.

Een paar zaken vallen op in deze advertentie: 1) Mevrouw Schotel uit Voorburg adverteert in een krant die in de Gelderse Achterhoek gepubliceerd wordt, 2) Er wordt geen loonbedrag genoemd maar een paar vergelijkbare advertenties op dezelfde pagina van ‘De Graafschap-bode’ doen dat wel.

Naar hedendaagse maatstaven zijn dat twee alarmbellen voor iemand die op zoek is naar werk. Waarom adverteerde iemand uit Voorburg in de Achterhoek om een dienstbode te vinden? Waarom werd er niets gezegd over het geboden loon en andere voorwaarden? Betekende het dat de reputatie van het huishouden zodanig was dat het in de regio Den Haag gewoon niet lukte om iemand te vinden?

Een baantje als dienstbode betekende meestal hard werken voor een karig loon. Een jaarloon van ƒ 250 à ƒ 300 voor een 6-daagse werkweek met dagen van 10-uur of meer was vrij normaal. Vergeleken met ‘90 cent per uur’ voor een semi-geschoolde arbeider als een schildersknecht is dat jaarloon nogal schamel. Voor inwonend personeel waren kost en inwoning dan wel gratis, maar inclusief de kost en inwoning was het effectieve uurloon van een dienstbode pakweg twintig cent.

Voor de omgang tussen de vrouw des huizes en het huispersoneel bestonden uitgebreide handleidingen. Zo staan in de 12e druk (1957) van het boek ‘Hoe hoort het eigenlijk?’ van Amy Groskamp-ten Have nog uitgebreide aanwijzingen over taakverdeling tussen het eerste, het tweede en het derde meisje. Inclusief richtlijnen voor de verdeling van fooien die door diner- of logeergasten werden gegeven. Wat betreft secundaire arbeidsvoorwaarden en verdere informatie over de werkomstandigheden van inwonend huispersoneel is het boek ‘Leven op stand 1890 - 1940’ van Ileen Montijn een mooie bron [3]. Zo blijkt dat in gunstige gevallen de fooien bijna een verdubbeling van het loon konden bedragen. Montijn geeft ook gedetailleerde werklijsten die elke week uitgevoerd moesten worden. Ook verhult Montijn niet dat bij de secundaire arbeidsvoorwaarden het moeten doorstaan van de seksuele avances van de heer of zoon des huizes vrij algemeenwas. In het huidige ‘Me Too’ tijdperk lijkt dat misschien ondenkbaar, maar honderd jaar geleden was het helaas vrij gebruikelijk.

Of de advertentie van ‘Mevr. Schotel (...) te Voorburg’ in een Gelderse krant voor ‘een flinke Dienstbode zelfstandig kunnende werken’ ook een dergelijke situatie als achtergrond had zullen we wel nooit te weten komen.

[1] https://nl.wikipedia.org/wiki/Dienstbode

[2] In een advertentie in de Haagsche Courant van 4 Juli 1925 waarin de veiling van de ‘groote luxueuse Villa “Sparwoude” met Tuin’ wordt aangekondigd staat ook het adres: Achterweg No. 164. Tegenwoordig is dat Parkweg 162.

[3] https://www.dbnl.org/tekst/mont023leve01_01/mont023leve01_01_0009.php

[3] htps://www.dbnl.org/tekst/mont023leve01_01/mont023leve01_01_0009.php

Honderd jaar geleden was autobezit nog een zeldzaamheid. Voor vervoer over langere afstanden was de gewone man of vrouw aangewezen op de benenwagen, de fiets of op het openbaar vervoer. Zo konden inwoners van Voorburg als ze naar Den Haag of naar Leiden moesten, gebruik maken van de stoomtram die in 1885 was gaan rijden. In 1924 werd de electrificatie van die tramlijn officieel in werking gesteld. Vrij kort daarna werd er al over die nieuwe tram gesproken als de ‘Blauwe Tram’ [1]

In de Haagsche Courant van 28 mei 1921 staat een aardig bericht over hoe klantgericht de dienstverlening bij het Openbaar Vervoer van honderd jaar geleden nog was. 

Een paar passagiers van de laatste tram van Noordwijk naar Leiden waren vertraagd. Ze wilden echter wel via Voorburg naar Den Haag doorreizen. Daarom was in Leiden aan de conducteur van de tram naar Den Haag opdracht gegeven op die personen te wachten. Tegenwoordig zou zo’n opdracht om op een paar vertraagde passagiers te wachten door de dienstregelaars van de HTM worden gegeven. Het is echter ook goed mogelijk dat honderd jaar geleden zo’n opdracht direct van de directeur kwam die door een kennis gevraagd was om als vriendendienst de aansluiting even te laten wachten. In de goede oude tijd hielp ‘ons kent ons’ nog veel meer dan tegenwoordig.

Hoe dan ook: in dit geval wachtte de tram Leiden-Den Haag tevergeefs. Na een uur gewacht te hebben ging de conducteur op onderzoek uit en wat bleek! De personen op wie gewacht werd hadden ‘met een andere gelegenheid hun reis [...] vervolgd en vergeten hadden het personeel van de tram Leiden-den Haag te waarschuwen.’ De mogelijkheid dat deze lieden zich in plaats van per trein naar Den Haag door te reizen, zich in het nachtleven van de Sociëteit Minerva of een andere vorm van nachtelijk vertier hadden gestort blijft helaas onbesproken in dit krantenbericht.

Ofschoon het tegenwoordig ook nog wel gebeurt dat een bus of tram even wacht op een vertraagde aansluiting, zal het tevergeefs een uur lang wachten niet gauw meer voorkomen.

 

[1] Bron: De canon van Leidschendam-Voorburg (Hfs. 14, Openbaar vervoer-van trekschuit tot tram; p.135 – 137)

In de Haagsche Courant van 13 April 1921 stond het bijgevoegde bericht over het 25-jarig jubileum van de Voorburgse harmoniekapel ‘Forum Hadriani’[1]. Het bericht laat zien dat ‘Forum Hadriani’ heel succesvol was geweest bij het werven van steun voor de viering van het jubileum!

Koningin Wilhelmina was de meest prominente van de bijna dertig  personen, bedrijven of verenigingen die een of meer medailles hadden geschonken om uit te delen aan de winnaars van de diverse onderdelen van het muziekconcours. Uit het bericht blijkt overigens niet of er ook geldelijke steun of steun in natura was toegezegd door de goede gevers maar dat is wel waarschijnlijk. Met een twee-daags programma en tientallen deelnemende verenigingen moest er vast ook voor de inwendige mens gezorgd worden. Dat zal op zijn minst koffie, thee of ranja + een boterham met kaas (ipv ‘boterham met tevredenheid’) voor een paar honderd deelnemers betekend hebben. Om over logeergelegenheid maar te zwijgen. Al met al een behoorlijk groots evenement voor het jubilerende ‘Forum Hadriani’.

Wat valt verder op in het bericht? Een paar opvallende goede gevers zoals de ‘Vereeniging van Pluimvee en Konijnenhouders’ en de Voorburgse voetbalvereeniging T.O.N.E.G.I.D.O. (‘Tot Ons Nut En Genoegen Is Deze Opgericht’) . Even ‘Googlen’ laat zien dat de nu nog actieve Voorburgse kippen- en konijnenhouders zich niet meer genoopt voelen in zo’n verenigingsverband hun hobby uit te oefenen. Anders gezegd: er niets over zo’n clubje te vinden. Ook ‘T.O.N.E.G.I.D.O.’ is ter ziele gegaan. In 2010 is de vereniging formeel opgeheven [2] maar er bestaat nog wel een website die gerund wordt door oud-leden [3].

Gelukkig bestaat Muziekvereniging ‘Forum Hadriani’ nog steeds en is springlevend [4]. Op 1 mei a.s. is zelfs het 125-jarig jubileum van ‘Forum Hadriani’!

[1] Zie ook het ‘Nieuws van Gisteren’ voor januari

[2] https://nl.wikipedia.org/wiki/VSV_TONEGIDO">https://nl.wikipedia.org/wiki/VSV_TONEGIDO

[3] https://vsvtonegido.nl/">https://vsvtonegido.nl/

[4] https://www.forumhadriani.nl/">https://www.forumhadriani.nl/

 

Het ‘Nieuws van Gisteren‘ voor de maand Maart van het jaar 1921 laat zien dat er ‘weinig nieuws onder de zon is’.  Leden van de HVV beseffen natuurlijk dat  de geschiedenis zich nooit echt herhaalt, maar soms lijkt het er wel erg op! Dat kan je althans afleiden uit het ‘Extra-Weekblad’ van ‘Het Vaderland’ van honderd jaar geleden. Net zoals nu was de woningnood honderd jaar geleden nijpend en werd de overheid in de pers opgeroepen om tot actie over te gaan. Het kopje ‘De Nieuwe Woningwetten’ geeft aan dat de woningnood inderdaad ‘de volle aandacht van de regering’ had. Ook in Voorburg werd actie genomen.  Onder het kopje ‘Weer een Nieuwe Bouw-Coöperatie’ met als ondertitel ‘Een kloek plan aan de Laan van N.O.-Indië’  worden de plannen van ‘Coöperatie Bouwplan Voorburg’ beschreven. Belangstellenden worden nadrukkelijk aangemoedigd zich snel aan te melden omdat het dringen is geblazen!  De initiatiefnemer was de architect Jan Wils (tegenwoordig het bekendst als de ontwerper  van het Olympisch Stadion in Amsterdam). Ondanks de enthousiaste presentatie  van dit bouwplan voor de Laan van N.O.-Indië is er met Delpher geen enkel vervolg op dit initiatief te vinden. Het lijkt er dus erg op dat dit bouwplan  een stille dood is gestorven. Voor een ieder die Anno 2021 wel eens de ronkende reclamefolders voor een nieuw bouwproject bekijkt inderdaad dus ‘weinig nieuws onder de zon’.

In 1921 was de 1e Wereldoorlog weliswaar al ruim twee jaar achter de rug maar dat betekende niet dat de ellende in Europa echt voorbij was. Dat begin jaren twintig het leven in Duitsland geen pretje was beseffen veel Nederlanders wel. Maar dat er ook in Oostenrijk en Hongarije een semi-hongersnood heerste is minder bekend.

Vooral de minder draagkrachtigen in de grote steden werden hierdoor getroffen. Anders gezegd: vooral arbeiders en hun kinderen hadden het zwaar! Om die nood enigszins te lenigen werden er in Nederland steunprogramma’s opgezet. Dat hield ondermeer in dat er grote aantallen kinderen naar Nederland werden gehaald om aan te sterken. In totaal zijn er in dat kader zo’n  150 000 ‘Weensche kinderen’ [1].

voor kortere of langere tijd in Nederland geweest. Sommige van die kinderen zijn zelfs hun hele verdere leven in Nederland gebleven [2].

Behalve dat er gastgezinnen moesten worden geregeld kostte dit hulpprogramma natuurlijk ook geld, veel geld! Het bericht uit Het Vaderland van 8 februari 1921 laat zien dat ook Voorburgers ruimhartig bijdroegen aan het goede doel. In termen van vandaag vertegenwoordigt de opbrengst van ƒ. 587,80 een paar duizend Euro. Best een mooie opbrengst voor een amateur toneel- en muziekvereniging!

[1] https://vijfeeuwenmigratie.nl/term/Pleegkinderen%20uit%20Oostenrijk#5009-inhetkort

[2] https://hetverhaalachter.nl/index.php/2013/02/1920-noodlijdend-oostenrijk/ 

Bij het snuffelen in ‘Delpher’ naar Voorburgse wetenswaardigheden in de maand januari van het jaar 1921 vallen een paar zaken op. Zo had de Voorburgse notaris Beguin het druk met het veilen van een aantal huizen aan  o.a. de Heerenstraat. Of die veiling een gedwongen verkoop betrof blijkt niet duidelijk uit de advertenties, maar dat Beguin er zelf aardig aan verdiend zal hebben lijkt wel zeker. Verder valt op dat er ook in Voorburg gevallen van de mysterieuze ‘hikziekte’ waren [1]. Na de Spaanse Griep pandemie van rond 1918 / 1919 heerste er begin Twintiger Jaren een hikepidemie in Europa. De oorzaak van de hikziekte die ook doden tot gevolg had, is echter nooit eenduidig vastgesteld.

Dit soort berichten zijn natuurlijk niet specifiek voor Voorburg.  Huizenveilingen en besmettelijke ziektes kwamen net zo goed in andere plaatsen voor. 

Een echt Voorburgs nieuwtje was echter de aankondiging van de viering van het 25-jarig bestaan van de Harmoniekapel ‘Forum Hadriani’. Muziekvereniging ‘Forum Hadriani’ werd op 1 mei 1896 opgericht [2], en zal dus op 1 mei 2021 de respectabele leeftijd van 125 jaar bereiken! Een goede aanleiding voor ons als Historische Vereniging Voorburg om ‘Forum Hadriani’ van harte met dat 25e lustrum te feliciteren!  Wellicht dat de geschiedenis van deze illustere muziekvereniging nog een keer uit de doeken gedaan kan worden in een toekomstig nummer van  ‘Historisch Voorburg’.

 

[1] https://geschiedenismagazine.nl/eeuwige-raadsels-de-dodelijke-hikziekte

[2] https://www.forumhadriani.nl/

De laatste maanden zijn er in de media veel kritische berichten over de wijze waarop de overheid is opgetreden bij vermoedens van onjuist toegekende Kinderopvangtoeslag [1]. Schrijnende verhalen over hoe te goeder trouw handelende burgers als fraudeurs werden behandeld worden daarbij breed uitgemeten. De meeste van die verhalen zijn vast grotendeels of zelfs voor 100%  waar, maar dat doet niet af aan het feit dat de Nederlandse welvaartsstaat over het geheel genomen heel behoorlijk functioneert. Het is daarbij goed te beseffen dat de welvaartsstaat zoals wij die kennen van vrij recente datum is. Zo werd de AOW in 1956 ingevoerd [2] en de Algemene Bijstandswet dateert van 1963. Met die Bijstandswet nam de Rijksoverheid de armenzorg over van de kerken en particuliere instellingen [3].  Voorzichtige eerste schreden op weg naar de welvaartsstaat werden echter rond een eeuw geleden gezet met de invoering van de kinderbijslag. In 1912 kregen werknemers in overheidsdienst voor het eerst kinderbijslag bovenop het reguliere loon [4]. Deze financiële maatregel hield dus rekening met het aantal kinderen dat verzorgd moest worden door een ambtenaar die kostwinner was. Na de Eerste Wereldoorlog waarin de kosten van levensonderhoud enorm waren gestegen, werd deze regeling verder uitgebreid voor rijksambtenaren met grote gezinnen. In de stemming hierover in de Tweede Kamer stemden de confessionele partijen allemaal voor, terwijl de liberalen en sociaal-democraten verdeeld waren over deze ‘fokpremie’.

Uit het bericht van 21 december 1920 blijkt dat B&W van Voorburg aan het gemeentepersoneel dezelfde kindertoeslag op het salaris wilde toekennen als de Rijksambtenaren reeds ontvingen. Zo vlak voor de Kerstdagen een mooi bericht voor de Voorburgse gemeenteambternaren van destijds!

 

[1] https://www.tweedekamer.nl/kamerleden_en_commissies/commissies/pok

[2] https://nl.wikipedia.org/wiki/Algemene_Ouderdomswet

[3] https://nl.wikipedia.org/wiki/Wet_werk_en_bijstand

[4] R. van Daalen: De invoering van kinderbijslag in Nederland. AST (2002) [29] 3; p. 285-312

 

In tijden dat meer dan de helft van de volwassen Nederlanders overgewicht heeft, is het lastig voor te stellen dat in de vorige eeuw de voedselvoorziening twee keer ernstig in de problemen is geweest. Oudere HVV-leden hebben wellicht zelf nog persoonlijke herinneringen aan de Hongerwinter van ’44-’45. In dat laatste oorlogsjaar heerste er een echte hongersnood in West Nederland. Maar ook aan het eind van de Eerste Wereldoorlog was het ‘kantje boord’ voor de voedselvoorziening van de toen rond de zes miljoen inwoners van Nederland.

Ofschoon Nederland niet militair betrokken was bij de oorlog, had deze wel een enorm effect op de economie. De handelsstromen over zee werden door de Britse zeeblokkades ernstig belemmerd. Dit werd in 1917 nog verergerd door de onbeperkte onderzeebootoorlog van de  Duitsers. Hierdoor kwam ook de voedselvoorziening ernstig in het gedrang. In 1916 werd daarom de ‘Distributiewet’ ingevoerd waarbij o.a. verplichte levering van landbouw-produkten kon worden opgelegd. In 1917 verslechterde de situatie nog verder. Het kwam zelfs tot een aardappeloproer in Amsterdam waarbij ook doden vielen. Om althans aan de basis voedselbehoefte te kunnen voldoen werd zelfs een deel van de rundveestapel geslacht om daarmee weidegrond vrij te maken voor het verbouwen van o.a. graan en aardappels. Deze maatregel werd gecomplementeerd door de ‘Scheurwet 1918’ die het mogelijk maakte om grasland verplicht in landbouwgrond om te zetten.

Het bericht ‘Uitvoering Scheurwet’ betreft een schadevergoeding voor degenen wier grasland op grond van die ‘Scheurwet 1918’ inderdaad in landbouwgrond was omgezet. Hoeveel veeboeren in Voorburg door deze maatregel getroffen werd is niet op te maken uit het bericht. Wel dat ze - net als alle andere getroffenen - twee jaar later een schadevergoeding konden aanvragen.

Twee jaar wachttijd voor je zelfs maar een aanvraag kan indienen voor schadevergoeding is voor een ondernemer best erg lang. Die wachttijd zal vast wel tot enkele faillissementen hebben geleid.  Maar goed dat in de huidige Covid-crisis de overheid veel sneller is met het verlenen van staatssteun.

 

[1https://www.volksgezondheidenzorg.info/onderwerp/overgewicht/cijfers-context/huidige-situatie#node-overgewicht-volwassenen"> 

[2http://ronaldrovers.nl/100-jaar-na-kolenplundering-en-aardappelopstanden/">http://ronaldrovers.nl/100-jaar-na-kolenplundering-en-aardappelopstanden/

[4https://www.parlement.com/id/vg09lljev8xk/f_e_folkert_posthuma">https://www.parlement.com/id/vg09lljev8xk/f_e_folkert_posthuma


In Nederland is de militaire dienstplicht voor mannen in 1810 door Napoleon ingevoerd [1].  Na het vertrek van Napoleon naar St. Helena werd  in het nieuwe Verenigd Koninkrijk der Nederlanden die dienstplicht gehandhaafd. In de 19e eeuw werd door loting bepaald wie er daadwerkelijk moest opkomen.  Voor de meer welgestelden die - om wat voor reden dan ook - geen zin hadden om ‘des konings wapenrok’  aan te trekken was het mogelijk om een vervanger [‘remplacant’] in te huren[2].  In 1898 verviel echter die mogelijkheid omdat de persoonlijke opkomstplicht van kracht werd. Daarmee werd het een stuk lastiger om na goedgekeurd te zijn, je toch te onttrekken aan het vervullen van je dienstplicht. Wel was het mogelijk om uitstel te krijgen vanwege studie, of zelfs afstel door bijvoorbeeld te emigreren naar het buitenland of door werkzaam te zijn als priester, mijnwerker of zeeman. Een andere reden voor vrijstelling was ‘broederdienst’: dat wil zeggen dat je werd vrijgesteld als een of meer broers in actieve dienst  waren of waren geweest.  Ook kon je gewetensbezwaren aanvoeren. Als die bezwaren erkend werden kon je vervangende dienst bij bijvoorbeeld een overheidsorganisatie doen.

Begin 20e eeuw waren die uitzonderings mogelijkheden echter zeker niet voor iedereen weggelegd. Dan bleef er nog desertie over als je echt geen zin had om op te komen. Na desertie  moest je natuurlijk wel op de een of andere manier onderduiken om uit handen  van de autoriteiten te blijven. Voor een korte periode is onderduiken niet zo moeilijk, maar op de langere termijn is het erg lastig. Dat blijkt tenminste uit een bericht van 20 september 1920 in ‘Het Volk’ dat er na 11 jaar onderduiken een deserteur in Voorburg ontdekt was. Deze deserteur had de kost verdiend door als dienstbode te werken. Dat daarbij door ‘haar’ werkgevers niet al te veel vragen zijn gesteld of referenties waren opgevraagd, blijkt wel uit de mededeling dat deze dienstbode zich regelmatig moest scheren. 

Doordat per 1 mei 1997 de opkomstplicht is opgeschort, hoeven dienstplichtingen [tegenwoordig niet alleen mannen maar ook vrouwen!] die geen zin hebben om ‘te dienen’ nu niet meer na te denken over hoe ze die dienstplicht kunnen ontlopen.  Het alternatief van een matig betaald ‘dienstje’ bij een net burgergezin hoeft dus ook niet overwogen te worden.

[[1https://nl.wikipedia.org/wiki/Dienstplicht">https://nl.wikipedia.org/wiki/Dienstplicht

[2https://pure.uva.nl/ws/files/1695953/123041_11.pdf

In het boek ’70 Jaar vrede en vrijheid’ ([1]) staat een hoofdstuk ‘Daar komt de Burgerwacht!’.  Burgerwachten waren in augustus 1914 bij Koninklijk Besluit opgericht en hadden als taak bij ’s lands verdediging ondersteunende taken uit te voeren. De leden waren mannelijke vrijwilligers van 30 jaar of ouder. Vrijwilligers jonger dan 30 jaar dienden bij de Vrijwillige Landstorm. De Voorburgse burgerwacht  kwam ’s zomers op maandagavonden op een schietbaan in de Tedingerbroekpolder bij elkaar voor schietoefeningen. 

Na het einde van de Eerste Wereldoorlog in 1918 verminderde het enthousiasme kennelijk. Dat valt tenminste af te leiden uit het bericht in het Rotterdamsch Nieuwsblad van 9 September 1920. Daarin doet de heer Van Spengler - de commandant van de Voorburgsche burgerwacht - zijn beklag over de geringe belangstelling voor het bijwonen van schietwedstrijden.

Aardig is dat hij voorstelde om als lokkertje een gerookte paling te verloten onder de leden die wel zouden komen opdagen.  Dit naar aanleiding van het succes dat daarmee behaald was bij een andere Voorburgse vereniging.  Helaas blijkt uit het bericht niet of dit lokmiddel ook bij de burgerwacht succesvol is toegepast.

Gelukkig hebben we als Historische Vereniging Voorburg nog nooit onze toevlucht hoeven nemen tot zo’n kunstgreep om bij onze bijeenkomsten de zaal vol te krijgen. Maar wellicht is het een manier om als de corona-pandemie voorbij is, de - al dan niet kwetsbare - leden toch te verleiden tot het fysiek bijwonen van een bijeenkomst.

In juli 1940 werden op last van Duitse bezetter de Burgerwachten buiten dienst gesteld en in september 1940 ontbonden. De burgerwachters kregen een herinneringsmedaille voor bewezen diensten. De medaille van de Voorburgsche Burgerwacht was uitzonderlijk: die had een oranje lint in plaats van een lint in de kleuren van de Nederlandse vlag ([2]).

 

[1] Historisch Voorburg Jaargang 21 [2015]

[2] https://nl.wikipedia.org/wiki/Medaille_voor_Trouwe_Dienst_in_de_Voorburgsche_Burgerwacht

In maart 2020 is Nederland getroffen door de corona-pandemie. Door het COVID-19 virus hebben we te maken gekregen met vergaande ingrepen in zowel ons privé- als het maatschappelijke leven(1). De '1,5 m afstand houden' regel  is daarvan wel de bekendste ingreep. Voor de HVV-leden betekenden de corona-maatregelen o.a. ook dat er in mei geen ALV kon worden gehouden en dat er geen leden aanwezig konden zijn bij de uitreiking van het eerste exemplaar van het boek ‘Vreugd en Rust’. 

De corona-pandemie is ernstig! Eind juli waren er in Nederland ruim 6000 geregistreerde sterfgevallen te betreuren en wereldwijd zijn dat er bijna 700 000 (2). Het is echter goed te beseffen dat honderd jaar geleden de wereld zich net aan het herstellen was van de Spaanse Griep. De Spaanse Griep vergde in 1918/1919 in Nederland minstens 40 000 doden en wereldwijd zelfs tussen de 20 en 100 miljoen doden (3). Het bericht van 18 januari 1919  in het ‘Dagblad van Zuid Holland en ’s Gravenhage’ geeft een goede indruk van hoe dramatisch de toestand was in November 1918. Samengevat: ‘In het geheele rijk overleden aan griep in het derde kwartaal van 1918 815 personen. In de maand October bedroeg dit cijfer 3203, in November 10,615 personen.’ 

Ofschoon de corona-pandemie zeker nog niet voorbij is kan je toch wel stellen dat de Spaanse Griep qua ernst van een andere orde van grootte was dan de huidige pandemie. In 1920 was de Spaanse Griep voorbij en dat was zeker het geval in Voorburg. In Delpher is er met de zoekterm “Voorburg + Spaanse griep” in kranten verschenen in het jaar 1920 in ieder geval niets te vinden. Wel staat er in het Staatsblad van 4 Augustus 1920 een overzicht van het aantal landelijk geregistreerde gevallen van besmettelijke ziekten voor de week van 25 t/m 31 juli 1920. Dit overzicht betreft de registratie van de gevallen van buiktyphus, roodvonk en difterie. Voorburg staat in dat overzicht vermeld met slechts 1 geval van roodvonk. Rotterdam daarentegen valt op in dat overzicht door de relatief forse aantallen van roodvonk en difterie. Ook in 2020 loopt Rotterdam ten opzichte van de regio duidelijk voorop met het aantal geregistreerde corona-gevallen (4). Al met al dus eigenlijk weinig nieuws onder de zon!

 

[1] https://nl.wikipedia.org/wiki/Coronacrisis_in_Nederland#Maart

[2] https://www.google.com/search?q=corona+sterfgevallen+Nederland&oq=corona+sterfgevallen+Nederland&aqs=chrome..69i57j0l4.6268j0j7&sourceid=chrome&ie=UTF-8

[3] https://nl.wikipedia.org/wiki/Spaanse_griep

[4] https://www.rivm.nl/coronavirus-covid-19/actueel

Voor veel leden van de HVV is het ontvangen van een nieuw boek in de serie ‘Historisch Voorburg’ het hoogtepunt van het verenigingsjaar. Ook dit jaar is er dankzij de inzet van auteurs, redactie en vormgever (en niet te vergeten de financiële steun van diverse instellingen en bedrijven) weer een prachtig boek gepubliceerd: ‘Vreugd en Rust - gastvrije buitenplaats met een park van Zocher’. Op vrijdag 19 juni is het eerste exemplaar van dit kloeke boek overhandigd aan Commissaris van de Koning Jaap Smit en Wethouder Astrid van Eekelen. 
Bij het op Delpher (1) zoeken naar leuke weetjes over Voorburg uit het jaar 1920 vallen een paar berichten op die een kleine toevoeging vormen op de gedetailleerde beschrijving van de geschiedenis van ‘Vreugd en Rust’ in Hoofdstuk 2 ‘Gastvrij Vreugd en Rust’ . Zo werd er op 8 Juli in een personeelsadvertentie door ‘Parkhotel Vreugd en Rust’ gevraagd naar een ‘flinke werkmeid’. Een woordkeuze mbt het werkzame deel van de bevolking die wij honderd jaar later als ‘politiek weinig correct’ beschouwen. In het hoofdstuk ‘Gastvrij Vreugd en Rust’ wordt op pagina 131 vermeld dat er ook tentoonstellingen werden georganiseerd in het hotel. Duidelijk met als opzet om meer bezoekers naar ‘Vreugd en Rust’ te lokken.  Zo werd op 17 Juli door de ‘afdeeling Voorburg en Onstreken der Vereeniging tot bevordering der Bijenteelt in Nederland [......]‘eene Bijenteelttentoonstelling’ aangekondigd. Deze tentoonstelling was kennelijk van voldoende belang dat de Minister van Landbouw, Handel en Nijverheid gestrikt kon worden voor het ‘Eere-Comité’ van de tentoonstelling. Of dat beschermheerschap van de Minister van Landbouw veel extra bezoekers heeft opgeleverd is helaas niet terug te vinden in Delpher.
Het houden van tentoonstellingen in ‘Vreugd en Rust’ heeft in ieder geval niet geresulteerd in een winstgevende bedrijfsvoering. Begin 1923 werd de pacht van de buitenplaats beëindigd en werd het hotel te koop gezet (2).

[1] https://www.delpher.nl/nl/kranten/results?query=Voorburg&coll=ddd

[1] Historisch Voorburg, Jaargang 26, Hoofdstuk 2 > p. 131


Zoals het krantenbericht laat zien werd Voorburg in Juni 1920 voortgestoten in de vaart der volkeren: vanaf 1 Juli 1920 kon je ook ’s avonds na 10 uur bellen met je vriendin of vriend of door haar / hem gebeld worden! In de woorden van Johan Cruiff: ‘elk voordeel heb zijn nadeel’.

Dat ’s nachts bellen ging overigens nog wel via een handmatig bediende telefooncentrale waar een behulpzame telefoniste (telefooncentrales werden gewoonlijk bemenst door jongedames) de verbinding tot stand bracht. Op de centrale werd door de telefoniste met behulp van een stekkersnoer contact gelegd tussen degene die belde met degene die gebeld werd. In Nederland  functioneerde dit handmatige systeem bij interlokaal bellen nog tot in de Jaren Vijftig van de vorige eeuw. Op het platteland van Australië waren dergelijke handmatig bediende centrales zelfs tot ver in de jaren Zeventig nog in gebruik. 

Het aantal telefoonabonnees in Voorburg was in 1920 nog niet zo groot. De ‘Naamlijst voor den Telefoondienst – Uitgaaf Januari 1920’ vermeldt alle bij het ‘Hoofdbestuur der Posterijen en Telegrafie’ geregistreerde Nederlandse telefoonnummers. Helaas staan de aansluitingen in Voorburg verstopt in de namenlijst van ’s Gravenhage en is het dus wat lastig om het preciese aantal Voorburgse abonnees te bepalen. Een vlugge scan laat echter zien dat ene Mevr. Westendorp telefoonnummer “ V 408 “ had, en de toenmalige burgemeester van Voorburg werd als volgt vermeld: “  V 378   Stern, Jhr. C. W., Burgemeester v. Voorburg, Oosteinde 221, Voorburg.”  In totaal zullen er dus rond de 500 abonnees geweest zijn. Kennelijk voldoende voor een eigen telefooncentrale waar vanaf 1 Juli 1920 ook ’s nachts een telefoniste aanwezig zou zijn.

’s Nachts kunnen bellen met een bekende was natuurlijk een mooie vooruitgang, maar toch wat andere koek dan de mogelijkheden die een moderne smartphone biedt. Met een smartphone kan je zonder tussenkomst van een telefoniste direct bellen met bijvoorbeeld een jarige achterneef in Nieuw Zeeland en ook de met diezelfde smartphone gemaakte foto’s van de laatste familiereunie aan hem toesturen. Op een moderne smartphone is de belfunctie zelfs een maar vrij ondergeschikt onderdeel van alle mogelijkheden die zo’n apparaat biedt. Met diezelfde smartphone kan je bijvoorbeeld ook in Wikipedia foto’s opzoeken die laten zien hoe een telefooncentrale er begin 20e eeuw eruit zag. Niet het soort vraag waar de telefoniste in 1920 je gemakkelijk bij kon helpen. Daarom hierbij ook een paar plaatjes die aangeven hoe een telefooncentrale van honderd jaar geleden eruit zag.

Bron foto:  https://nl.wikipedia.org/wiki/Telefooncentrale

Bron foto:  https://commons.wikimedia.org/wiki/Category:Telephone_operators#/media/File:Bell_telephone_magazine_(1922)_(14569507248).jpg

Het ‘Rode Pannendorp’ is de wijk die de Emmastraat, Oranje Nassaustraat, Prins Hendrikstraat & Weverslaan omvat.

Sinds de invoering van de ‘Woningwet 1901’ bemoeide de Rijksoverheid zich actief met de ‘volkshuisvesting’  [1]. Behalve dat er kwaliteitseisen aan woningen gesteld konden worden, maakte de ‘Woningwet 1901’ het ook mogelijk dat de Rijksoverheid woningbouwverenigingen financieel  kon ondersteunen. Het waren die woningbouwverenigingen [&/of corporaties & stichtingen] die in de praktijk zorg droegen voor het bouwen en beheer van goede en betaalbare woningen voor minder draagkrachtigen [anders gezegd: de arbeidersklasse]. De directe financiering door het Rijk van de woningbouwverenigingen werd overigens in 1921 stopgezet omdat de woningnood zou zijn opgelost.

In Voorburg was Woningbouwvereniging St. Martinus actief [St. Martinus is rond de eeuwwisseling opgegaan in Stichting Wooninvest] [2], en in mei 1920 werd ‘Het bouwen van 59 Arbeiderswoningen en een Winkelhuis’ aanbesteed. Drie weken later werd bekend gemaakt wie de aanbesteding gewonnen had:  ‘Minste inschrijver S. Treep te Voorburg voor f 359.600.’ . Dat bedrag betekent dus een kostprijs van pakweg f 6000 per woning. Ter vergelijking: de huidige WOZ waarde van een zestal willekeurig gekozen huizen aan de Emmastraat is gemiddeld zo’n € 235.000. Naar guldens omgerekend is dat  f 518 000. Vertaald naar een inflatiepercentage is dat 4,56 %/jaar cumulatief over honderd jaar. Heel vergelijkbaar met de woninginflatie van 4,8 % / jaar zoals vermeld in het eerste berichtje in de serie ‘100 jaar Voorburg’.  

In 1990 was er een plan om de hele wijk te slopen om plaats te maken voor flatgebouwen [3]. Dit plan van Woningbouwvereniging St. Martinus werd - om het beleefd te formuleren - niet erg enthousiast ontvangen door de bewoners van de wijk. Een handtekeningenactie hielp de sloop te voorkomen. In 2016 is er overigens zelfs serieus sprake van geweest dat de wijk tot ‘gemeentelijk monument’ verheven zou worden [3].  Maar net als bij de sloopplannen, is daar niets van terecht gekomen.  Op de monumentenlijst van Leidschendam-Voorburg [4] is in ieder geval niets te vinden over een eventuele monumentale status van een of meer huizen aan de Emmastraat, Oranje Nassaustraat, Prins Hendrikstraat of Weverslaan.

Bronnen:

(1)     https://nl.wikipedia.org/wiki/Woningwet

(2)     http://www.cultuurpuntleidschendam-voorburg.nl/organisaties?controller=organizationdetails&type=132&org=233

(3)     http://www.overhetwestland.nl/2016/05/19/met-afbraak-bedreigde-huizen-nu-waarschijnlijk-monument/

(4)    https://www.lv.nl/monumentenlijst

Deze keer in 'Voorburg 100 jaar geleden' een advertentie dd 10 april 1920 voor de ‘Openbare Verkooping’ van een inboedel uit de nalatenschap van L. C. Enthoven. De verkoop van ‘Zilveren Voorwerpen’ uit een nalatenschap doet vermoeden dat de erfgenamen wellicht enig verschil van inzicht hadden over de verdeling van de erfenis. Dat komt in veel families voor!

Lodewijk Cornelis Enthoven [1854-1920] behoorde tot een familie die rijk was geworden met de ijzerpletterij Enthoven te Den Haag. Hij zelf was vermogend genoeg en had kennelijk ook voldoende tijd om een belangrijke kunstcollectie op te bouwen. Hij verzamelde Delfts Blauw, schilderijen, en nog veel meer kunstvoorwerpen. Een deel van zijn collectie - waaronder ook werken van Van Gogh - is in Museum Kröller-Muller terecht gekomen. [Bron:  https://rkd.nl/nl/explore/artists/record? query=Lodewijk+Cornelis+Enthoven&start=0 ]. In 2004 heeft Museum Swaensteijn een tentoonstelling aan hem gewijd: ‘Lodewijk Cornelis Enthoven (1854 – 1920) : verzamelaar te Voorburg’. In de advertentie valt ook op dat Enthoven beschikte over een fraai automobiel: een ‘coupé Limousine’ van het merk Delahaye met in totaal zes zitplaatsen. Volgens Wikipedia produceerde de Franse autofabrikant Delahaye voornamelijk sportieve auto’s in de duurdere prijsklasse. Ter vergelijking: tegenwoordig denk je bij ‘hogere prijsklasse’ aan bijvoorbeeld een Mercedes S-klasse of een Porsche Cayenne. Helaas heeft Museum Louwman geen Delahaye uit het begin van de 20e eeuw in haar collectie, maar het onderstaande plaatje geeft een goede indruk van het soort auto wat begin 20e eeuw bedoeld werd met het begrip ‘limousine’ en welk soort lieden daar gewoonlijk gebruik van maakte. [Bron:  https://nl.wikipedia.org/wiki/Limousine#/media/Bestand:Winton1915.jpg ]

Deze keer een kort berichtje dd 10 maart 1920 over de benoeming van een Voorburger tot ambtenaar bij de gemeente Leimuiden en Rijnsaterswoude.

Wat valt op aan dit berichtje? Ten eerste dat Leimuiden al lang geen zelfstandige gemeente meer is, maar tegenwoordig onderdeel vormt van de Zuid-Hollandse gemeente Kaag en Braassem. Sinds 1900 is het aantal zelfstandige gemeentes in Nederland afgenomen van ruim 1100 tot minder dan 400 nu. Kortom: een stuk minder werkgelegenheid voor burgervaders.

Verder valt op dat ook in welgestelde kringen [‘G.J.M. Baron van Slingelandt’] het vinden van een passende, eerste betrekking kennelijk wel eens lastig kon zijn. Anders was Baron van Slingelandt vast niet een tijd lang als ‘volontair’ werkzaam geweest op de gemeentesecretarie van Wateringen. ‘Volontair’ betekent volgens Wikipedia ‘onbezoldigde medewerker’. Werken als volontair werd veelal gedaan om de broodnodige praktische werkervaring op te doen, en daardoor een betere positie op de arbeidsmarkt te verwerven. Voor iemand van goede komaf zoals Baron van Slingelandt, zal het enige tijd onbezoldigd werken geen al te groot probleem zijn geweest. Voor minder welgestelde personen was het werken als volontair waarschijnlijk veel minder aantrekkelijk. Tegenwoordig  kennen we hetzelfde fenomeen overigens nog steeds: alleen noemen we het nu een ‘stage’. Ofschoon er gewoonlijk een stagevergoeding wordt gegeven, is dat nadrukkelijk geen salaris maar alleen een onkostenvergoeding. Een werkstage wordt door de stagiair(e) ook gebruikt om een betere positie op de arbeidsmarkt te verkrijgen. Voor de stagegever is het overigens een mooie gelegenheid om eens goed te kijken hoe een mogelijke werknemer in de praktijk functioneert. Wat betreft ‘volontair’ en ‘stagiair(e)’ is er dus niet zo erg veel verschil, behalve dat zo’n honderd jaar geleden een vrouwelijke ‘volontair’ een vermoedelijk onbekend verschijnsel was. Daarentegen is tegenwoordig een ‘stagiaire’ een volstrekt normaal fenomeen.

Wat is er mooier dan in het schrikkeljaar 2020 deze rubriek te beginnen met een bericht gedateerd 29 Februari 1920.

Waar gaat dat berichtje 'Uit Voorburg' over? Heel eenvoudig: het leven van alledag honderd jaar geleden. Geboortes, ondertrouw en overlijden, de benoeming van een ambtenaar bij de gemeente, en de vermelding van de prijs van openbaar geveilde  woningen.

Bij de meldingen van overlijden valt een geval van kindersterfte op: 'Cornelia Johanna Meester, 3 weken.' Tegenwoordig valt dat op, maar een eeuw geleden was heel normaal dat zuigelingen overleden. De gezondheidszorg is in 2020 dan ook  stukken beter dan in 1920.

Bij het bericht over openbaar geveilde huizen, staan zowel de namen van de kopers als de prijzen vermeld. Onder de huidige privacy wetgeving is het in een krant publiceren van de naam van de koper van een huis op z'n best een twijfelgeval. Dat namen niet meer vrijelijk in kranten genoemd mogen worden zal in 2120 geschiedkundig onderzoek vast een stuk lastiger maken.

De huisprijzen lagen in 1920 ook een stuk lager dan nu. Tegenwoordig kunnen we slechts dromen van een huis met een vraagprijs van minder dan twee ton in Euro's en hier zien we bedragen van minder dan 10 000 guldens. Maar de inkomens waren natuurlijk ook een stuk lager dan tegenwoordig. Om een redelijke vergelijking te maken zijn daarom de vermelde verkoopprijzen vergeleken met de WOZ waardes van huizen op hetzelfde adres. Die WOZ waardes zijn met een druk op de knop te vinden op de openbare website www.wozwaardeloket.nl . Bij elkaar opgeteld brachten de drie verkochte huizen fl. 23 375 op. Omgerekend is dat € 10 607. De WOZ waardes van de huizen op dezelfde adressen waren per 1/1/2019 in totaal €  1 189 000.

Anders gezegd: gemiddeld 4,8 % / jaar, of te wel ruim boven de inflatiedoelstelling van net onder de 2 % / jaar die de ECB hanteert. Het rentebeleid van de ECB is dus niet echt in overeenstemming met de prijsontwikkeling van huizen in Nederland. "